Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

amechtig - (buiten adem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

amechtig bn. ‘buiten adem’
Mnl. amachtich, amechtich ‘machteloos, uitgeput, verslagen’ [ca. 1350; MNW], maar al eerder in dezelfde betekenis amechte, in die van groten rouwe amechte es worden [1276-1300; CG II, Kerst.]; vnnl. ‘uitgeput, buiten adem’ in aemachtig van de reys, en met vermoeyde leden [1635; WNT Supp.].
Afleiding van het zn. mnl. amacht ‘onmacht’, gevormd uit het voorvoegsel ā- ‘zonder, niet’ en → macht, met achtervoegsel → -ig. De oorspr. betekenis is dus ‘onmachtig’ (Duits ohnmächtig uit ouder ō-, āmehtig bij ohd. āmaht ‘onmacht’). De huidige betekenis ‘buiten adem’ heeft zich vernauwd uit het oorspr. ‘uitgeput’ door volksetymologische associatie van het eerste lid, dat niet meer als ontkenningsvoorvoegsel werd begrepen, met aam, de samengetrokken vorm voor adem. Daar de betekenis vervolgens niets meer met machtig te maken had, kon de oorspr. Brabantse vorm met -e- zich handhaven in de standaardtaal. Inmiddels is het woord echter verouderd.
Het voorvoegsel ā- komt alleen in de oude West-Germaanse talen voor: ohd. ā-wiggi ‘verkeerde weg’ (mhd. ā-setze ‘onbezet’); oe. ǣmen ‘zonder mensen, ontvolkt’; onl. auuigki ‘onbegaanbaar’ 10e eeuw; W.Ps.] (vnnl. awech ‘verkeerde weg’ [1500-20; MNW-P], awisich ‘onwelluidend (van de wijs)’ [1488; MNW awisich], en nog bij Kiliaan a(u)wisigh ‘id.’ [1599]). De enige sporen van dit voorvoegsel in de huidige standaardtaal zijn te vinden in amechtig en misschien in → oubollig. De herkomst van dit voorvoegsel is onbekend; er zijn geen aanknopingspunten buiten het Germaans; ook Grieks → a- is niet verwant.

EWN: amechtig bn. 'buiten adem' (ca. 1350)
ANTEDATERING: amechtech [1317-25; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

amechtig* [sterk hijgend] {amachtich, amechtich [machteloos, uitgeput] 1350} van ontkennend a + macht; de betekenis veranderde later door associatie met adem, aam.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

amechtig

Toen hij de piano naar de derde verdieping had gehesen, zeeg hij amechtig in een luie stoel neer’. In deze betekenis plegen wij het woord te gebruiken en wie er wel eens over heeft nagedacht, is waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat het samenhangt met het woord adem, samengetrokken tot aam. Het tweede deel is voor onze landgenoten uit Gelderland en Overijsel duidelijk. Daar kent men nog hechten in de zin van hijgen. Amechtig zou dus betekenen: ademloos, naar adem snakkend en zo gebruikt men het ook.

Het spijt mij wel, maar het is niet waar. In vroeger tijd kende men behalve amechtig ook amachtig en nu komt de aap uit de mouw: het voorvoegsel a- betekent: niet, of on-. Het is bekend uit amoreel: zonder moraal; uit a-religieus, on-godsdienstig. En amechtig betekent dus doodgewoon: machteloos. Aam- in aamborstig daarentegen is onder invloed van adem vervormd uit eng.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

amechtig bnw., mnl. āmachtich, āmechtich ‘machteloos, uitgeput’ (de laatste vorm is oostnl.), vgl. mnl. āmachtich, ohd. āmahtīg, afgeleid van mnd. ohd. āmacht (nhd. ohnmacht, onder invloed van ohne). Het woord bevat het praefix ā vgl. ohd. āteili ‘geen deel hebbend aan’, onfrank, āwighi ‘onbegaanbaar’, zoals ook mnl. āwech ‘verkeerde weg’.

Dit prefix is uitsluitend westgerm. en schijnt daarom een secundaire formatie, waarvan de herkomst niet duidelijk is; in het idg. zijn ook geen voorbeelden voor zulk een ontkennend prefix bekend. — De nnl. betekenis ‘buiten adem’ berust daarop, dat men amechtig als am-echtig opvatte en in het 1ste lid aam = adem zag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

amechtig bnw., mnl. ȃmachtich, âmechtich “machteloos, uitgeput”. De vorm met e is oorspr. oostndl., elders verhindert cht den umlaut. De nnl. bet. “buiten adem” is daardoor te verklaren, dat ’t taalgevoel het woord bij ȃm uit adem bracht; maar inderdaad is mnl. ȃ machtich identisch met ohd. ȃmahtîg; mnd. ȃmechtich “machteloos, krachteloos”, behoorende bij ohd. mhd. mnd. ȃmacht v. (nhd. onder invloed van ohne vervormd tot ohnmacht). Uit macht, machtig en prefix ȃ-, dat in het Wgerm. = “on-” voorkomt, vgl. onfr. ȃ-wigki “invio”, ohd. ȃ-teili “niet deelachtig”, ȃ-wiggi “van den weg af”, als znw. “verkeerde weg”, mhd. ȃ-setze “onbezet”, ags. æ̂men “zonder menschen, ontvolkt”. Het Mnl. kent: ȃsāghe v. “beuzelpraatje”, ȃwech m. “verkeerde weg”, ȃwîsich “onwelluidend”, en verder Kil. nog: awijs “onwelluidend, onwijs”, awijse “onwelluidendheid, onwijsheid”, aweerd “onwaardig”. Dit wgerm. ȃ- kan met geen idg. ontkenningspartikel samenhangen. Formeel zijn verschillende combinaties mogelijk, maar alle zijn zeer onzeker: obg. a “maar, en”, oi. ȃt “daarop, en”; lat. ȃ “van”, oi. ȃ “naar — toe, van — af”, enz.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

amechtig. Sommigen beschouwen het hier besproken wgerm. â- als identisch met â in ohd. â-mad, waarnaast ablautend uo-mad o. ‘etgroen, na-oogst’ (nhd. dial. ohmd, öhmd: zie bij maaien), ohd. â-wahst, uo-wahst ‘incrementum, achterhoofd’. Het verloop van de bet.-ontw. blijft bij deze hypothese weliswaar zeer duister.
Van de als ‘formeel mogelijk’ genoemde combinaties buiten het Germ. moet stellig lat. â ‘van’ vervallen. Ook obg. a ‘maar, en’, oi. ât ‘daarop, en’ zijn zeker niet identisch met wgerm. â-. Ten hoogste daarmee verwant als verschillende casus van eenzelfde pronominale stam, waarbij eventueel ook oi. â ‘naar-toe, van-af’ kan horen. Verdere, merendeels onzekere, in ieder geval buiten het bestek van dit boek liggende combinaties in deze geest bij WP. I, 95 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aamhechtig bijv., vervorming van amechtig, opgevat als “naar den adem hijgende”.

amechtig bijv., Mnl. amechtich, amachtich, met e = ä, van *amacht + Ohd. âmaht (Mhd. âmacht, Nhd. ohnmacht), een samenst. met ontkennend praef. â-, dat alleen in de Westg. talen voorkomt en van onbek. oorspr. is. De bet. machteloos ging in die van ademloos over, door den anlaut âm-.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mechtig 1, bn.: kortademig. Door aferesis uit Mnl. amechtig, amachtig ‘machteloos, afgemat, uitgeput’, Vnnl. amachtig/on-machtich ‘impotens’ (Kiliaan). Ohd. âmahtîg, Mnd. âmechtich. Afgeleid van machtig met negatief vv. a-. De betekenis ‘buiten adem, kortademig’ door associatie met aam < adem.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Amechtig, vroeger ook amachtig, aamechtig, aemechtig geschreven, mnl. vroeger meest amachtig, later meest de umlautvorm, is een afleiding van het z.nw. amacht = onmacht (van macht en a, een voorvoegsel, dat een begrip van verwijdering tot grondslag heeft en hier als ontkennend voorvoegsel dient, en dat in onze taal anders niet meer voorkomt; wel in de verwante). Door niet meer begrijpen van het woord ging men aan adem denken, en vatte men: krachteloos, uitgeput, als: uitgeput, buiten adem op, ging spellen aâm-, en eindelijk in het overblijvende echtig zoeken een b.nw. van het werkw. hechten = vastmaken of van hechten, hichten, afl. van hijgen en ’t ook aamhechtig schrijven, o.a. Bilderdijk; zoo kreeg het woord eindelijk de bet. niet meer van machteloos, maar van alleen buiten adem.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Amechtig is a-machtig, waarin a een oud voorvoegsel met ontkennende kracht is, gelijkstaande met on (vgl. aweerd = zonder waarde; awegh = zonder weg, woest; awijs = onwijs; asage = on-praat). Het volk zag in het woord: ademhechtig, d.i. naar adem hijgende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

amechtig ‘sterk hijgend’ -> Noors avmektig ‘bewusteloos; machteloos; (verouderd) krachteloos’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

amechtig* sterk hijgend 1574 [WNT Suppl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal