Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

appel - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

appel 1 zn. ‘vrucht’
Onl. met Duitse spelling ephela (mv.) ‘appels’ en ruoden apheles (genitief), omschrijving voor granaatappel [beide ca. 1100; Will.]; mnl. appel [1240; Bern.], soms apel, ook in de samenstelling apelt(e)re ‘appelboom’, die al in het Oudnederlands voorkomt in de plaatsnamen Appoldro ‘Apeldoorn (Gelderland)’ [792-93; Künzel, 69] en Apeltre ‘Appeltern (Gelderland)’ [1139; Künzel, 69]. Het tweede lid -dra in deze woorden is mogelijk verwant met een pie. woord voor ‘boom’ zoals in Engels tree (zie → teer 1). Overdrachtelijk verschijnt het woord in oge appel [1240; Bern.], zie → oogappel.
Os. apl, appul; ohd. apful (nhd. Apfel); ofri. appel ‘oogappel’ (nfri. appel); oe. æppel (ne. apple) (alle met West-Germaanse geminatie voor -l-); nfri. ook apel; Krimgotisch apel; < pgm. *apla-; daarnaast on. epli (nzw. äpple) < pgm. *aplja-.
Buiten het Germaans verwant met: Litouws obuolìs, Lets âbuols; Oudkerkslavisch jablŭko (Russisch jabloko); Oudiers abull ‘appel, vrucht’; zonder duidelijke te reconstrueren pie. grondvorm; eventueel *h2éb-ōl, accusatief *h2eb-él-m, genitief h2eb-l-ós, uit welke laatste stam pgm. *apla- ontstond. Omdat bovendien de appel in Noord-Europa een inheemse boomsoort is, wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat dit een substraatwoord is (Hamp).
appelmoes zn. ‘moes van appelen’. Vnnl. appelmoes [1562; Naembouck]. Samenstelling met → moes.
Lit.: E. Hamp (1979) ‘The North European Word for “Apple”’, in: Zeitschrift für Keltische Philologie 37, 158-166

EWN: appel 1 zn. 'vrucht' (ca. 1100)
ANTEDATERING: appel 'vrucht' [891-900; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

appel1* [vrucht] {in de plaatsnaam Appoldro, nu Apeldoorn (Gld.) <792-793>, ap(p)el 1220-1240} oudsaksisch appul, oudhoogduits apful, oudfries appel, oudengels æppel, krimgotisch apel; buiten het germ. oudiers ubull, welsh afal, bretons aval, litouws obuolys, lets ābuol(i)s, oudkerkslavisch jablŭko. De uitdrukking voor een appel en een ei [voor een kleine prijs] kan wellicht verklaard worden op grond van middelnederlands niet een ei of niet van enen eie [niet zóveel]. De uitdrukking gouden appelen op zilveren schalen [schone gedachten in schone woorden uitgedrukt] is ontleend aan Spreuken 25:11.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

appel [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: de Oskische stadsnaam Abella, eig. ‘appelstad’, wijst erop dat het Noord-europese woord ook in het Italisch voorkwam, en vervangen werd door het zuidelijke *mâlo-, vermoedelijk een veredelde appelsoort. Zie Ernout-Meillet4 [1959].

appel znw. m., mnl. appel (zelden apel), os. appul, apl, ohd. apful, afful, oe. æppel, ofri. appel ‘oogappel’, fri. apel ‘appel’, krimgot. apel. De verdubbeling van de p had plaats voor de volg. l; grondvorm is *apla-, aplu-. Het on. epli < *apalja staat naast apall in apalgrār ‘appelgrijs’. — osl. (j)abluko, lit. obuoly͂s, lett. ābuōlis, apr. woble, oiers ubull ‘appel’ (naast miers aball ‘appelboom’), gall. avallo, vgl. plaatsn. Aballo, Aballava. — Vroeger afgeleid van de stadsnaam Abella in Campanië, maar de stad werd eerder naar de appelboom genoemd (Hoops, Waldbäume 477-9). Bovendien was appel de naam voor de in het wild groeiende soort, waarvan Tacitus (Germ. 23) spreekt. De beperking tot het keltisch-germaans, balto-slavische gebied doet vermoeden dat het een substraatwoord is.

Een afleiding is os. apeldere, ohd. affoltra, oe. apuldor m. apuldre v. (naast ohd. apfoltra, oe. æppuldre met verdubbeling naar appel), on. apaldr ‘appelboom’. Het woord leeft voort in plaatsnamen als nnl. Apeldoorn, Appeltern, nhd. Affoltern, ne. Appledore; samengesteld met een suffix idg. *-tro, -tra, evenals in os. mapulder m., ohd. mazzaltra v., oe. mapuldre (ne. maple) ‘ahorn’. — Men heeft ook wel gedacht aan samenstelling met een woord *dere, *tere, dat verwant zou zijn met ne. tree (zie: teer), maar daartegen verzet zich reeds on. apaldr. Evenmin waarschijnlijk een samenstelling met een woord *alðra-, alðrō-, ‘gewas, struik, boom’ bij de wortel al- ‘voeden, laten groeien’ (Brugmann, PBB 43, 1919, 317 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

appel znw., mnl. appel (zelden āpel) m. = ohd. apful m. (nhd. apfel; ohd. zelden afful), os. appul, apl, ofri. appel (“oogappel”; NB. fri. apel “appel”), ags. æppel m. (eng. apple), krimgot. apel “appel”. Naast dit germ. *apla-, *aplu- nog on. epli o. “id.” uit *ap(a)lja-. De wgerm. pp ontstond uit p onmiddellijk vóór l; met enkele p de alg.-germ. boomnaam ohd. affoltra, os. apeldere v., ags. apuldor m., apuldre v. (naast ohd. apfoltra v., ags. æppuldre v., met pf, pp naar apful, æppel), on. apaldr m. “appelboom”. Hiervan de eigennamen ndl. Apeldoorn, hd. Affoltern, eng. Appledore. [Hetzelfde suffix, idg. -tro-, -trâ- ook in ohd. maʒʒaltra v. (nhd. massholder), os. mapulder m., ags. mapuldre v. (vgl. eng. maple) “ahorn” e. a. germ. boomnamen; vgl. lett. mî-tra, mi-tra “palm”, arm. mair “pinus, cedrus”]. Het Mnl. en het zuidelijke Nnl. hebben voor “appelboom” de afl. appelaer m. Buiten ’t Germ. vgl. ier. aball, ubull, ksl. (j)ablŭko, lit. óbůlas, obůly͂s “appel” De combinatie met lat. Abella “stad in Campanië met belangrijke vruchtenkultuur” is heel onzeker, die met lat. mâlum, gr. mẽlon “appel” is onmogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

appel. I.pl.v. ags. apuldor m., apuldre v. lees: ags. apuldor, apuldre v. m.
Brugmann PBB. 43, 317 vlgg. beoordeelt ohd. affoltra, os. apeldere enz. enigszins anders: hij vermoedt dat deze boomnamen samengesteld zijn met *alðra-, *alðrô- ‘gewas, struik, boom’ (van de basis idg. *al- ‘voeden, laten groeien’ + -tro-, -trâ-. Zie nog wereld Suppl.). Uit germ. *apal-alðra-, -alðdró- zou dan haplologisch *apalðra-, *apalðrô- ontstaan zijn. Scherpzinnige, maar toch wel overbodige verklaring: zie Kluge Nom. Stammb. 3 § 94 b.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

appel m. (vrucht), Mnl. appel en apel, Os. appul en apl + Ohd. apful en afful (Mhd. en Nhd. apfel), Ags. æppel (Eng. apple), Ofri. appel en apel, On. epli (Zw. äple, De. æble), Krimgot. apel + Lit. óbůlas, Lett. abholo, Ru. jablŭko, Ier. aball, We. afal, Gaël. ubhall: komt alleen voor in ’t Germ. , Slav., en Kelt., en werd vóór de klankverschuiving ontleend aan Lat. malum Aballanum = appel van Abella in Campanië, om hare appels beroemd (z. Virg. Aen. 7,740 en verg. perzik). De oorspronkelijke Germ. vorm is met één p; in ’t Westg. ontstond pp in de vormen waar l onmiddellijk op p volgde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

appel s.nw.
1. Vlesige vrug van die appelboom, of die boom self. 2. Oogbol. 3. Bolvormige voorwerp wat aan 'n appel (appel 1) herinner, bv. ronde knop bo-aan die greep van 'n swaard of versiering op 'n toringspits. 4. (geselstaal) Vuis.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. appel (al Mnl.). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

-appel (de; als tweede lid van een samengest. zn.), naam voor enige bomen en hun vruchten, welke laatste enigszins lijken op en AN a. en/of op een SN appel* (z.a.): bosappel*, klopappel*, sterappel*. - Etym.: Zie appel*. - Zie ook: ijsappel*.

ap’pel (de, -s), 1. witbloeiende, gekweekte vruchtboom uit Azië (Syzygium samarangense, Goejavefamilie*). - 2. vrucht van deze boom. Vleermuizen op zoek naar purperrode sappige pommerak*, sapotilles, manjes*, rode en roze appels () (Vianen 1969: 39). - Etym.: De naam berust op de oppervlakkige gelijkenis van de vrucht met AN a. = vrucht van een o.m. in Nederland gekweekte vruchtboom (Malus sylvestris ssp. mitis, Roosfamilie*). S apra. - Syn. van 1 appelboom*, van 1 en 2 Curaçaose appel*. Zie ook: sterappel*.
— : Curaçao’se appel, 1. syn. van appel* (1): z.a. () Curaçaose ‘appel’ met geelachtig tot witte vruchten, die rauw of gestoofd gegeten worden (WB e.a. 173). - 2. syn. van appel* (2): z.a. Niet alleen in de goejave* zitten ze, maar ook in de sapotille-vruchten, sterappels*, soms in manje* en curaçaose appels, ook in kasjoe*, vooral de rode soort heeft er vaak onder aantasting van de vrucht-vlieg te lijden (Heyde 1978: 40).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

appel: bek. boom en vrug (spp. Malus, fam. Rosaceae); Ndl. appel (Mnl. appel), Hd. apfel, Eng. apple – die wd. is tot die Kel.-Germ. en die Balt.-Sl. taalgebied beperk.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

appelfamilie
Wilde lijsterbes | Sorbus aucuparia L.
Eenstijlige meidoorn | Crataegus monogyna Jacq.
Tweestijlige meidoorn | Crataegus laevigata (Poiret) DC.
Wilde appelboom en Eetappelboom | Malus sylvestris (L.) Mill.
Perenboom | Pyrus communis L.
Mispel | Mespilus germanica L.

De helderrode, soms oranje tot gele, vlezige vruchten van de Wilde lijsterbes hebben het uitzicht van bessen of besvruchten, maar strikt plantenmorfologisch beschouwd zijn het eigenlijk pitvruchten zoals appels. Deze vruchten worden graag gegeten door vogels, zoals lijsters, en vandaar de naam Lijsterbes. Er bestaat ook een sierboom met de naam Amerikaanse lijsterbes (Sorbus americana Marsh.) en er zijn nog vele andere Sorbus-soorten, vandaar meer bepaald het woord wilde in Wilde lijsterbes, die ook soms Gewone lijsterbes genoemd wordt.

De naam Meidoorn is van oudsher verbonden met de Meifeesten. De Meidoorn-struiken beginnen te bloeien in de maand mei en in sommige oksels van de bladeren staat een tot een doorn omgevormde zijstengel, vandaar dus de naam. Bij de Eenstijlige meidoorn bezitten de bloemen meestal één stijl en bij de Tweestijlige meidoorn zijn er twee tot drie stijlen. De Meidoorn werd in Duitsland betiteld als de geneeskrachtige plant van het jaar 2019.

Het woord appel werd al in het Middelnederlands gebruikt voor de vrucht van de Appelboom, die in de volkstaal ook Appelaar wordt genoemd.

Peer en Perenboom zijn afgeleid van het Latijnse pirus voor de boom en pirum voor de vrucht van de Perenboom, die ook Perelaar wordt genoemd.

De Nederlandse naam Mispel voor de boom en voor de vrucht van die boom werd afgeleid van een oude Latijnse plantennaam voor deze boom, namelijk Mespilus, een term die zelf een latinisering is van het Griekse woord mespilon, dat vermoedelijk uit een voor-Griekse taal stamt en waarvan de betekenis niet gekend is.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

appel: (onder Vlaamse taxichauffeurs) krenterige klant.

Die krenterige klanten noemen wij ‘appels’. Een echte appel wacht op 5 frank, zelfs als hij gehaast is om zijn trein te halen. (Humo, 15/05/1986)

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Appel, Malus sylvestrus
Malus: Latijnse naam voor appel.
Sylvestris: de plant groeit ook in bos.
Appel: de naam ´appel´ blijkt min of meer inheems.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Appel, vrucht die Adam en Eva tot zonde verleidde; (fig.) vrucht die genoemd wordt in verband met verleiding en verlies van onschuld.

In het paradijsverhaal speelt de vrucht die Adam en Eva in weerwil van het gebod van God toch eten, een cruciale rol (zie ook Verboden vrucht en Zondeval). Deze vrucht wordt in de bijbelvertalingen niet als appel aangeduid. Toch was dit buiten de bijbelvertalingen vanouds de naam van de paradijsvrucht, immers de oudere betekenis van appel was ruimer, namelijk 'ronde, vlezige vrucht'. Nog steeds wordt de appel, een van de populairste stukjes fruit, genoemd als de vrucht waardoor ooit de zonde in de wereld kwam.

Het aardige is dat Denen dat ook vinden, tenminste het soort dat ik voornamelijk tegenkom in bibliotheken en universiteiten. Ze voelen zich allereerst Scandinaviër, vervallen in Gods toorn omdat zij als enigen in de Europese appel gebeten hebben. (H. Pleij, Het Nederlandse onbehagen, 1991, p. 40)
Voor de finale zelf moet Bram Appel [een voetballer] op audiëntie bij de paus. [...] De kans, dat deze het kaartje accepteert, acht ik klein, doch geenszins uitgesloten. De ellende is met een appel begonnen, laten we er ook roemvol mee ten onder gaan. (G. Bomans, Adviezen van een oude rot & ander sportief proza, 1988, p. 73)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

appel ‘vrucht’ -> Zoeloe aphula ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Balinees apel ‘vrucht’; Jakartaans-Maleis apel ‘vrucht’; Madoerees appēl ‘vrucht’; Menadonees apel ‘vrucht’; Munsee-Delaware á:pǝlaš ‘vrucht’; Unami-Delaware á:pǝ:lǝš ‘vrucht’; Loup abel ‘vrucht’; Mahican ápenes ‘vruchten’; Mohegan-Pequot appece ‘appels’ (uit Nederlands of Engels); Negerhollands apǝl, apl ‘vrucht’; Berbice-Nederlands apl ‘citrusfruit’; Papiaments apel (ouder: appel) ‘vrucht’; Sranantongo apra ‘vrucht’ (uit Nederlands of Engels); Arowaks apra ‘vrucht’ <via Sranantongo>; Sarnami aprá ‘vrucht’; Surinaams-Javaans aprah ‘sterappel (boomvrucht), soort van sapotille’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

appel* vrucht 1146 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

95. De appel valt niet ver van den stam (of den boom),

d.w.z. kinderen aarden gemeenlijk naar hunne ouders; mlat. arbor sit qualis, fas est cognoscere malis; ex radice mala nascuntur pessima mala; ex ovis pravis non bona venit avis. Bij Goedthals, 77 vindt men deze gedachte uitgedrukt door: Alle vruchten smaken naer huerliederen boom, de noble estoc naist riche plantage. Den wijn smaeckt geerne zijns stocks, le vin se cognoist a la saueur; mlat. stirpe saporatur pomum quocumque rotatur (Werner, 94). Cats drukt het op de volgende wijze uit: 't Appelken smaeckt gemeenlijck boomigh (zie Bebel, no. 451), dat in het Vlaamsch luidt: het appelken smaakt gemeenlijk boomsch (De Bo, 55). Vgl. ook Mergh. 11: de peere en valt niet wijt vanden boom. Ook in het hd. zegt men der Apfel fällt nicht weit vom Stamm; in Nederduitsche dialecten: de Appel fallt nicht wiet van 'n Stam; de Apel fallt ni widd fon Stamm. Zie Taalgids IV, 254 en vgl. Eckart, 16: de Appel fällt nit wît vam Stamme et en si dann, dat de Bôm schêf am Auwer (Ufer) steht. In het Friesch luidt de spreekwijze: de apel falt net fier fen 'e beam. Vgl. nog het Ndl. Wdb. II, 552; III, 407; 429; Harreb. I, 17 a; fr. de doux arbres douces pommes; eng. the apple falls near the tree; such as the tree is, such is the fruit (vgl. Waasch Idiot. 663 b: zulke tronk, zulk jong). Blauwe doeven, blauwe jongen (Cats I, 424; Groningen IV, 191).

106. Die zijn lijf (of zijn lichaam) bewaart, bewaart geen rotten appel,

d.w.z. men moet voor zijn gezondheid zorg dragen. In de 18de eeuw komt onze zegswijze voor bij Tuinman 11, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen. Hiernaast bij Halma, 550: Die zyn moeders kind bewaard, bewaard geen rotten appel, qui prend soin da sa propre person, ne prend pas un soin inutile; Harreb. I, 10; Boekenoogen, 21; fri. Dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige apel.

96. Een rotte appel in de mand maakt de geheele vrucht tot schand,

d.w.z. het kwaad is aanstekelijk, slecht gezelschap bederft goede zeden; lat. uva uvam videndo varia fit. Vgl. in het Mnl. Doct. II, 852: Die appel oec gheerne vervuult die bi verrotten appelen leght. Con. Somme, 478: Een verrotte appel onder ganse appelen verderft die ander appelen, is hi langhe daer onder; Cats I, 408: Een rotten appel in de mande maeckt oock het gave fruyt te schande; De Brune, 425: Een wrotten appel in een mand, maeckt al de reste licht tot schand; Tuinman I, 141; Harreb. I, 17 b; Waasch Idiot. 78 a: Een appel die bedorven is, schendt al wat in de korven is. Syn. is Een schurft schaap bederft de gansche kudde (zie Servilius, bl. 59; Cats I, 410; De Brune, 424; Tuinman I, 141; Harrebomée I, 454), dat ontleend is aan het lat. unius pecudis scabies totum commaculat gregem; fr. il ne faut qu une pomme pourrie pour en gâter cent autres; hd. ein fauler Apfel steekt hundert gesunde an; eng. one ill weed spoils a whole pot of pottage (zie verder Prick, bl. 9).

97. Voor een appel en een ei,

d.w.z. voor een kleinen prijs, voor een onbeduidende kleinigheid. Een appel is, evenals een ei, een ding van weinig waarde; vandaar bij Servilius, 76: Onze questie en is nyet om eenen appel oft om een eye, lat. non certatur de oleastro. Vgl. ook Con.-Somme, 483: Hi (God) en wil di niet betalen mit een appel, als men die kinder doet, mer hij wil dattu hem grote dinghen eyscheste; 227: Si laten hem hoors vaders erve ofcopen om een appel of om een ey. In de middeleeuwen werd niet een ei als versterkte ontkenning gebruikt, b.v. in Z. ende Lichaem, vs. 325:

 Want u gheroep ende ghecrey
 Mach u helpen niet een ey.

Reynaert I, 3163: In waers een ei niet te bat. Zie Mnl. Wdb. II, 587; De Jager, Lat. Versch. 121 en vgl. het mlat. acquiri pomo non est constantis amici; pomo ac ovo perdi solet inconstantia dici (Werner, 1). Bij Coster, 64, 1605: Om een appel, om een luer (d.i. om een kleinigheid), en bij Van Moerk. 241: Jou crediteurs die stelje wel met een ei of een appel te vrede. Eerst bij Van Effen, Spectator II, 124 vindt men: Waarom zou ik zulks voor een ey en voor een appel verkopen? vgl. Bergsma, Dr. W. 106: Veur 'n ei en 'n appel van de hand dôn. Op Goeree en Overflakkee: Voor 'n trot en 'n ot iets opruimen. In Zuid-Nederland zegt men volgens De Bo, 55; Waasch Idiot. 78 en Antw. Idiot. 162: Voor eenen appel en een ei, voor ‘entwat van niet’, en in Brabant volgens Schuermans, 115: iets verkoopen voor een pan eieren, d.i. goedkoop verkoopen; iet veur een stik brood verkoopen, voor een kleinigheid (Teirl. 219). Ook in verwante Nederduitsche dialecten is de zegsw. bekend: he verköpt öm for 'n Appel on'n Ei of 'n Ei un'n Appel, of in eenigszins anderen vorm: vor 'n Ei un Botterbrood kopen (vgl. hd. etwas für ein Butterbrot bekommen); zie Taalgids IV, 282; Eckart, 93; Wander V, 783-785; en vgl. fri.: for in apel en in aei. In het Fransch zegt men avoir quelque chose pour un morceau de pain of pour des nèfles (dus voor mispels), waarmede te vergelijken is de bij Marnix Byenc. 93 voorkomende uitdr.: Ons en is niet een platte mispel daer aen ghelegen (vgl. dial. dat is geen rotte mispel waard; zie o.a. Claes, 149).

98. Een zuren appel doorbijten.

Daar een zure appel wrang is en de tong doet samenkrimpen, ziet men er tegen op hem door te bijten. Bij overdracht wordt dit gezegd van een onaangename zaak, die men zich moet laten welgevallen, die men moet aanpakken en volvoeren. In de 17de eeuw komt de zegswijze voor bij Huygens, Oogentroost, vs. 322; Pers 538 a; Paffenrode, 4. Vgl. verder Tuinman I, 2: 't Is een zuure Appel, om in te bijten; en Ndl. Wdb. II, 551; 2651. In andere verzamelingen wordt zij meestal eenigszins gewijzigd aangetroffen (Harrebomée III, 109), zooals ‘men moet door een zuren appel heen bijten’; ‘door een zuren appel bijten’ of ‘in een zuren appel bijten’, evenals ook de Duitschers zeggen in den sauern Apfel beiszen, dat bij Luther wordt aangetroffen; zie Borchardt en vgl. de Ndd. zegswijze: ik muss in den sûren Appel bîten, ik mug willen oder ni (Eckart, 16 en Taalgids IV, 279). Ook in West-Vlaanderen zegt men in eenen zuren appel bijten, eenen zuren appel eten, iets onaangenaams tegenkomen en ondergaan (De Bo, 54, en Joos 100); Schuermans, 19; Bijv. 13 verklaart in den appel bijten door in ongenade vallen, iets duur moeten betalen. In het Friesch: yn in sûre apel bite, een moeilijke taak op zich nemen; ut of fen in sûre apel bite, iets met tegenzin doen, van den nood een deugd maken.

99. Een schip met zure appelen (of met grauwe erwten).

Hieronder verstaat men een opkomende zware regen- of hagelbui. Vgl. Harrebomée I, 3 b: Het schip met zure appelen is in aantocht. In het Friesch: Dêr komt in skip mei sûre apels oan, er is een regenbui in aantocht; ook: het kind wil gaan huilen (Dijkstra, 283); vgl. bijv. J.P. Heye's ‘Pietje bedroefd’: Een scheepje met zuur appelen, dat zeilt er om zijn' mond; en in het Oost-Friesch: Dâr kumd 'n schip mit sûre appels afer (Ten Doornk. Koolman I, 48); bij Eckart, 457: en Schipp vull sûre Appeln, eine dicke Regenwolcke. Zie ook Jahrb. 1904, bl. 79. In Limburg spreekt men, volgens Welters 86, van een appelenschip of -schuit voor een ‘koude bui’; evenzoo is in het Vlaamsch een appelschip (-scheep), een hagelvlaag, een buiige wolk, waaruit het hagelt (De Bo, 56); in Limburg een hagelwolk ('t Daghet, XV, 172); langs den Rijn spreekt men van het regenschip. Zie ook Waasch Idiot. 578: Ze zijn een schip aan 't laden, het zal gaan donderen; Antw. Idiot. 1079: Schip, wolk, waaruit men een felle regenbui of hagelvlaag verwacht in de uitdr. ze zijn weer een schip aan 't laden of er komt weer een schip af; Jongeneel, 94: Es et Noarsjip (Meersjip) mit der kop nae 't Weste sjteet, hant ver binne veer en twintig oere reège, als de nevelbank ('t zeeschip) in het Noorden met den kop naar het Westen staat, krijgt men binnen 24 uren regen. Dat het geloof aan zoo'n schip oud is, bewijst Mannhardt, Germ. Myth. 466 met een plaats uit Agobard († 840 als bisschop van Lyon): ‘contra insulsam vulgi opinionem de grandine et tonitruis’. Plerosque autem vidimus et audivimus tanta dementia obrutus, ut credant et quan-dam esse regionem quae dicatur Magonia, ex qua naves veniant in nubibus, in quibus fruges, qua grandinibus decidunt et tempestatibus pereunt, vehantur in eandem regionem, ipsis videlicet nautis aëreis dantibus pretia tempestiariis et accipientibus frumenta vel ceteras frugesZie ook Ons Volksleven VIII, 235: Grimm, Myth4 532, i.v. nebelschiff en Dr. Coremans, L'année de l'ancienne Belgique, bl. 133..

100. Gouden appelen in (of op) zilveren schalen.

Dit wordt toegepast op de ‘vrucht der redenaarskunst’, wanneer men een meesterstuk van welsprekendheid wil aanduiden, voortreffelijk van inhoud en vorm. De zegswijze is ontleend aan Spreuken 25, 11: ‘Een reden op sijn pas gesproken, is als gouden appelen in silvere gebeelde schalen’. Zie het Ndl. Wdb. II, 552; Korenbl. II, 404; Vondel's Harpoen, vs. 105; Kalv. I, 16: Zijn woorden waren van pas als zilveren appelen in een gouden vlechtwerk; Nkr. V, 9 Sept. p. 4:

 Daer schettert Ruys de Beerenbrouck
 Woest tegen de socialen,
 Geeft tal van gouden appelen
 Op zuiver zilveren schalen.

Hd. goldene (güldene) Aepfel in silbernen Schalen (Zeitschr. f. D. Wortf, IX, 291; XIII, 91); eng. apples of gold in pictures of silver.

101. Iemand liefhebben als den appel zijner oogen.

Deze zegswijze vindt haar oorsprong in Spreuken 7, vs. 2: ‘Bewaert mijne geboden... ende mijne wet, als den appel uwer oogen’, dus: als het dierbaarste wat men bezit, de appel der oogen opgevat als het zinnebeeld van het levenslicht. Als een gevolg van deze vergelijking wordt de door iemand geliefde persoon zelf ook wel de appel zijner oogen genoemd. Meer gewoon is evenwel in dien zin oogappel; zie aldaar, en Ndl. Wdb. II, 554; vgl. hd.: jemand wie seinen Augapfel hüten; fr. conserver quelqu'un (quelque chose) comme la prunelle de ses yeux,. chérir quelqu'un, etc.; eng. he is like the apple of his eye. Reeds bij de Romeinen werd oculus in dezen zin gebruikt, o.a. bij Catullus, Luct. pass. 3, 4: Plus oculis suis amare; en Plautus, Curculio 1, 3, 47: Ocule me (mijn oogappel, als liefkoozing). Zie Journal, 255 en vgl. Vondel's Palamedes, vs. 948; Jeptha, vs. 302: Ick min hem als den appel van mijne oogen; Gijsbr. v. Aemst. 549: Wie kloosters raeckt, die raeckt den appel van Godts oogen; Brederoo I, 361: Sy mint hem alsoo hooch, dat sy hem liever heeft als d' appel van haar ooch; Tijdschr. VIII, 126: Die heeft u zo lief als den appel van haar oogen (anno 1688).

102. Een appeltje voor den dorst.

Hieronder verstaat men iets dat men op zijde legt en bewaart, om het in tijd van nood te gebruiken. Deze zegswijze komt in de 18de eeuw voor, blijkens Sewel 519, die het gezegde een ey in 't nest laaten (vgl. Ndl. Wdb. IX, 1854) verklaart door: een appel voor den dorst bewaaren, to keep an apple for the thirst, to save something. Ook in Zuid-Nederland is zij bekend; vgl. Schuermans, 19: een appeltje voor den dorst bewaren, spaarzaam leven, wat op zijde leggen voor den ouden dag; vgl. ook Bijv. 312 b; De Bo, 54: een appel tegen den durst of een appeltje tegen dat meerder nood komt; ook Antw. Idiot. 163; Waasch Idiot. 78 b: een appelken tegen den dorst; 'n appelke veur den auwen dag bewaren (Teirl. 248); Harreb. I, 17 a; Ndl. Wdb. II, 551; Amst. 34; Eckart, 16; Wander I, 209; V, 784. In het Fransch zegt men garder une poire pour la soif; hd. eine Birne für den Durst (kleine, ungenügende Hülfe), dat te vergelijken is met het verouderde ndl. een peertje vooor den dorst (zie Ndl. Wdb. XII, 890).

103. Een appeltje met iemand schillen (of te schillen hebben),

een netelige zaak met hem afhandelen, hem onderhouden over iets dat hem niet aangenaam zijn kan’; Ndl. Wdb. II, 552. Over het ontstaan van deze spreekwijze is veel geschreven, o.a. door Tuinman I, 110; Sprenger v. Eyk III, 20 en Van Moerkerken in Noord en Zuid XVII, bl. 189-190. Het komt mij voor, dat wij de beteekenis dezer zegswijze moeten verklaren door het ironisch gebruik. Evenals wij in ironischen zin zeggen: iemand een kool stoven (17de eeuw: een vijg koken), iemand van de taart, een oorvijg, een muilpeer, een beschuitje (= een kneep) geven, en een gebraden peertje (Tijdschrift XII, 239) ook de beteekenis van een hatelijk gezegde, een poets heeft, zoo heeft ook ‘een appeltje schillen met iemand’ de beteekenis gekregen van een onaangename zaak met iemand afhandelen. Steun vindt deze verklaring in de synonieme uitdrukkingen een eitje met iemand pellen (Harrebomée I, 178; Schuermans, 115; Waasch Idiot. 204 a; De Bo, 841; ‘met iemand een eitje pellen, te pellen hebben, met hem over een zaak handelen, over iets te spreken hebben, bezonderlijk met eenen tegenstrever’; met iemand een nootje te kraken hebben (Taalgids VIII, 108; Eckart, 392), 17de eeuw: een ui met iemand te schillen hebben, een hach(t)je met iemand kluiven, een zaak met hem uitvechten; Ndl. Wdb. V, 1508); Westerbaen, Boden - Brood, 15: Dit peultje sal ick hier nae met u schillen. Vgl. ook de hd. uitdr. einen Apfel mit jem. zu schälen haben (Wander I, 109; V, 1000); ein Ei mit jem. zu schälen haben (I, 760); mit jemand ein Hühnchen (oder ein Sträuszchen) zu rupfen haben, dat in Nederduitsche dialecten luidt: wi hebt nog een Höneken mit een ander to plükken; ik hef met di en Hönken to plükken; ick hähw noch en Hann má de tó plucken (Taalgids IV, 266). In het Friesch: ik hab in appeltsje mei dy to skilen (Dijkstra, 283); in het Engelsch: to have a bone to pick with any one; to have a crow to pluck with any one; to have a nut to crack with any one; in het Fransch: j'ai maille à partir avec vous; avoir des petits pois à écosser ensemble, ils ont eu maille à partir, zij hebben getwist. In denzelfden zin zegt men in het Zaansch: ik moet met hem an de kersen (Boekenoogen, 1325). Het eerste trof ik de uitdr. aan in de 18de eeuw bij Tuinman I, 110 en in Het Boere-krakeel, anno 1763, bl. 227:

Maer ik heb
 Ook nog ien Appeltje te schillen
 Mit jou, daer ik gien vermaek in schep.

In de 17de eeuw (anno 1680) komt evenwel reeds voor: Iets met iemand te schillen hebbenZie A. Peys, Gedwongen Huwelijck..

537. Eieren (of appelen) kiezen voor zijn geld,

d.w.z.: ‘in plaats van het geld, dat men vordert of te vorderen heeft, eieren of appels, d.i. naar het vroeger taalgebruik, dingen van weinig waarde kiezen; bij uitbreiding: zich met minder tevredenstellen dan men aanvankelijk eischte: t.w. om althans iets te krijgen’; ook: zich uit vrees in den hoek laten jagen (Ndl. Wdb. IV, 1062). Vgl. Nav. 1898, 447, waar gewezen wordt op de Kleyne Cronycke van Jan Adr. Leeg-Water (anno 1575), die vertelt, dat in den tijd van zijne grootmoeder ‘het Mael-loon van een sack zaedt was een oortjen: ende die Luyden en konden dicwils geen oortjen by malkander versamelen, moesten daerom noch Eyeren uyt het nest nemen om het Mael-loon daer mede te betalen.’ De schaarschte van geld was in Friesland onder Karel V zoo groot, dat men hierin voorzag door met eieren te betalen; 32 eieren golden éen stuiver. Het wasschen van de hoofddoeken der rijke boerinnen kostte éen eiTijdschrift v.h. Nederl. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, 1897, 57 en 170-172.. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij Smetius, 234: Hij sal wel eijer voor het gelt nehmen, mitius aget quam prae se fert; in de Prov. Comm. 770: Voer oude scout nemt men haver; Bebel 77: pro veteri debito accipimus stramen avenae; dit ook bij De Brune, 99 en Tuinman I, 137: Voor oude en onwisse schulden, neemt men haverstroo; fr. d'un mauvais débiteur et payeur prends paille et foin pour ton labeur; Wander IV, 365: für alte Schuld nimmt man auch Bohnen (Hafer)stroh; Tuinman I, 53: hy zal wel appelen voor 't geld kiezen; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 2, k. 3: De meisjes wilden met de nieuwe regeling geen genoegen nemen en zegden gezamenlijk het werk op. Na zoo'n krachtig verzet koos de firma eieren voor haar geld en blijft de oude loonregeling gehandhaafd; De Arbeid, 5 Nov. 1913, p. 2: Het personeel bleef op zijn stuk staan; met dit gevolg dat de vertegenwoordiger der directie eieren voor zijn geld koos, en zegde onderhandeling toe; Nkr. VII, 4 Jan. p. 2: Gelukkig is Heemskerk geen heethoofd en koos hij eieren voor zijn geld. In het eng. to take eggs for (one's)money, een slechten ruil doen.

1381. Die zijn lichaam (of zijn lijf) bewaart, bewaart geen rotten appel.

d.i. men doet goed door voor zijn gezondheid te zorgen. Vgl. Tuinman I, 319: Die zyn lyf bewaart, bewaart geen rotte appelen; II, 97: Die zyn lichaam bewaart, bewaart geen rotte appelen; Harreb. I, 17; Boekenoogen, 21; fri. dy 't syn lichem biwarret, biwarret gjin rottige appel; Schuermans, 187: Die zien lief bewaart, bewaart gien douve (ijle, ledige) neut (te Roermond). Dee zen kneuk bewaort, bewaort gein rotte appele (MaastrichtBreuls, 84.).(Aanv.) Zie no. 106 en vgl. Froissart 457: Hij bewairt wel die sijn lijf bewairt.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ā̆bel-, ā̆bōl-, abel- ‘Apfel’

Lat. Abella (osk. Stadt in Campanien) malifera ‘äpfeltragend’, nach Verg. Aen. 7, 740, dürfte ihren Namen nach der Apfelzucht erhalten haben und auf die Grundform *ablonā zurückweisen. Der Apfel ist nicht etwa erst nach der Stadt benannt.
Im Kelt. sind die Bezeichnungen für ‘Apfel’ (*ablu) und ‘Apfelbaum’ (*abaln-) auseinanderzuhalten. Gall. avallo ‘poma’, Aballō (n-St.) ON, frz. Avallon, abrit. ON Aballāva, gallo-rom. *aballinca ‘Alpenmistel’ (Wartburg); air. ubull (*ablu) n. ‘Apfel’, ncymr. afal, Pl. afalau, corn. bret. aval m. ‘Apfel’, aber mir. aball (*abalnā) f. ‘Apfelbaum’, acymr. aball, mcymr. avall Pl. euyill (analogisch) f., acymr. aballen, ncymr. afallen ‘Apfelbaum’ (mit Singulativendung).
Die gleichen Ablautformen im Germanischen:
Krimgot. apel (got. *apls?), ahd. apful, afful, mhd. apfel, ags. æppel (engl. apple), an. epli n. (apal-grār ‘apfelgrau’) ‘Apfel’. Germ. wohl *ap(a)la-, *aplu-. Ferner an. apaldr ‘Apfelbaum’, ags. apuldor, æppuldre, ahd. apholtra (vgl. nhd. Affoltern ON), mhd. apfalter ‘Apfelbaum’ (*apaldra-).
Das Baltische zeigt deutliche Spuren der im Idg. ganz vereinzelten l-Deklination *ābōl, G. Sg. *ābeles. Dehnstufe des Suffixes erscheint meist im Worte für ‘Apfel’: ostlit. obuolỹs, lett. âbuolis (-ii̯o-St.), westlit. óbuolas, lett. âbuols (o-St.) aus idg. *ābōl-; Normalstufe meist im Worte für ‘Apfelbaum’; lit. obelìs (fem. i-St.), lett. âbels (i-St.), âbele (ē-St.) aus idg. *ābel-; aber apr. woble f. (*ābl-) ‘Apfel’, wobalne (*ābolu-) f. ‘Apfelbaum’.
Abg. ablъko, jablъko, poln. jabłko, slov. jábolko, russ. jábloko ‘Apfel’ (*ablъko aus *āblu-) usw.; abg. (j)ablanь, sloven. jáblan, ačech. jablan, jablon, russ. jáblonь ‘Apfelbaum’, aus idg.*āboln- (die Lautform von *ablo ‘Apfel’ beeinflußt).
Obgleich eine einheitliche Grundform nicht ansetzbar ist, wird es sich beiden lat. kelt. germ. bsl. Formen nur um Urverwandtschaft und kaum um Entlehnung handeln. Beziehung zu lat. abies ‘Tanne’ usw. sehr unsicher.

WP. I 50, WH. I 3, E. Fraenkel KZ. 63, 172 ff., Trautmann 2.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal