Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

avontuur - (spannende belevenis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

avontuur zn. ‘spannende belevenis’
Mnl. auenture ‘geval’ [1236; CG I, 29], aventuren ‘toeval’ [1285; CG I, 1051]; vnnl. vorm met -o- eerst in auontuere ‘lot, dat wat iemand overkomt’ [1540; WNT Supp.]; in de huidige betekenis ‘speciale belevenis (afwijkend van het gewone)’: wij comen van ien avontuertjen ‘belevenis’ [1612; WNT Supp.].
Ontleend aan Oudfrans aventure [11e eeuw] < vulgair Latijn *adventura ‘voorval’ bij het werkwoord advenīre ‘gebeuren’ (waaruit ook → advent), gevormd uit → ad- en venīre ‘komen’, zie → komen.
Oorspr. had het woord twee betekenissen: ‘een gebeurtenis, een voorval, geval’ en ‘het gebeuren, het lot’. Een avontuur kon naast een geval ook een vreemd, wonderlijk geval betekenen. Vreemde voorvallen gaven aanleiding tot moedige ondernemingen en waagstukken in de middeleeuwse hoofse literatuur. De ridder ging op avontuur ‘op zoek naar dappere daden’. Aangezien dat meestal fantastische verhalen waren, ontstond de huidige betekenis ‘spannende belevenis’.
De -o- van het Nieuwnederlandse woord is in de 17e eeuw door volksetymologie naar analogie van avond opgekomen. Kiliaans spelling avendure uit 1599 is een proeve van etymologische spelling. Oorspr. was het woord vrouwelijk. Onder volksetymologische invloed van uur is het onzijdig geworden. Ook pseudo-etymologisch wordt avontuur sinds lang wel met uur verbonden, bijv. in Twe-spraack [1584].
Lit.: Philippa 1987

EWN: avontuur zn. 'spannende belevenis'; de vorm avontuur (met o) (1540)
ANTEDATERING: meneghe sware auonture 'menig erg gevaarlijke situatie' [1287; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

avontuur [lotgeval] {aventure, avonture 1236} < frans aventure [idem] < latijn adventura, o. mv. van het toekomend deelw. van advenire [aankomen, naderen, te beurt vallen, dus: de dingen die te beurt zullen vallen], in laat-lat. gebruikt als vr. enk.; het ww. advenire komt van ad [naar … toe] + venire [komen]. De o is ontstaan onder invloed van ‘avond’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

avontuur znw. o., mnl. aventūre, avontūre ‘vreemd geval, gevaar, toeval, geluk, verhaal’ < fra. aventure < vulg. lat. adventūra ‘voorval’.

De o van mnl. avonture staat onder invloed van avond, vgl. Kiliaen, die spelt avend-ure.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

avontuur znw. o., mnl. aventûre, avontûre v. “vreemd geval, gevaar, toeval, geluk, lot, verhaal”. Uit fr. aventure en dit uit vulgairlat. adventûra “voorval”, van advenîre “gebeuren”. De o van ʼt ndl. woord is door volksetymologie opgekomen (avond); Kil. avend-ure is een proeve van etymologische spelling. Ook mhd. âventiure v. (nhd. abenteuer o.), mnd. eventûr(e) v. o. met dgl. bett. als ʼt mnl. woord komen uit ʼt Fr. Het nnl. geslacht is onder invloed van uur opgekomen, dat eveneens van vrouwelijk onzijdig is geworden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

avontuur. Uit het Mnd. laat-on. æ̂fintŷr o. ‘gebeurtenis, avontuur, verhaal’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

avontuur o., Mnl. avonture v., uit Fr. aventure, Mlat. adventuram (-a), van Lat. advenire (z. advenant). In ’t Ndl. is het woord door volksetym. met avond in verband gebracht, gelijk Hgd. abenteuer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

avontuur s.nw.
Merkwaardige ervaring wat soms met gevaar gepaardgaan.
Uit Ndl. avontuur (Mnl. aventure), waar die o in Ndl. onder invloed van avond staan. Vgl. ook die Ndl. ww. avonturen 'waag, onderneem, in gevaar bring of stel' teenoor Mnl. ww. aventuren.
Ndl. avontuur uit Oud-Frans aventure uit Latyn adventura 'voorval op die punt om te gebeur' uit adventurus uit advenire 'gebeur'.
Eng. adventure.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

avontuur (Frans aventure)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Avontuur is een volksetymologie van ’t Fransche aventure, M.Lat. adventura van advenire = gebeuren, plaatsgrijpen. Het volk zag er een gebeurtenis in het avonduur in, misschien ook om het geheimzinnige van sommige avonturen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

avontuur ‘lotgeval’ -> Deens eventyr ‘sprookje; avontuurtje, affaire’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors eventyr ‘sprookje; lotgeval’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch avontir, avontur ‘lotgeval’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

avontuur lotgeval 1236 [CG I1, 29] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal