Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goochem - (slim, leep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

goochem bn. (NN) ‘slim, leep’
Nnl. (Bargoens) gochem ‘ingewijd’ [ca. 1800; Moormann], gognum ‘ingewijd, wijs’ [1844; Moormann], gogeme rot “doorslepen guit” [1858; Moormann], goochem ‘slim, geslepen, uitgeslapen, gewiekst’ [1891; WNT].
Ontleend aan Jiddisch choochem ‘wijs’ < Hebreeuws ḥāḥām ‘wijs’.
goochemerd zn. ‘slimmerik’. Nnl. ‘leperd, slimmerik’ in ouwe gochemert [1903; WNT], vroeger in het Bargoens ook ‘rechter van instructie’, in voor den goochemerd kotsen ‘... bij de rechter van instructie opbiechten, bekennen’ [1906; Moormann]. Afleiding van goochem met de nevenvorm -erd van het achtervoegsel → -aard.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goochem [slim] {goocheme 1844} < jiddisch choochem [wijs] < hebreeuws ḥākhām [wijs].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

goochem bnw. ‘ervaren, slim’, bargoens uit joods gochom ‘wijs, verstandig’ (Moormann 1, 322).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† goochem bnw. Jong woord uit het Joods-Bargoens (hebr. gochom ‘slim’). Hiervan het znw. † goochemerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

goochem bijv.(slim), uit Joodsch, van Hebr. chākām = wijs.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

goochem (Jiddisch goochem)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Goochem, slim, hebr. gochom, wijs, verstandig, geleerd. Daarvan: een goochemerd, slimmerd, in het barg, ook = rechter van instructie. Brusse, Boefje 75: “Ouwe gochemert!”

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Chochom of gochem
Joodsch, wijs, verstandig, ervaren; zie Letterbode 1844, n°. 21, p. 323, en n°. 48, p. 323; het Hebr. חָכְם. Avé-Lallemant (Das deutsche Gaunerthum, IV, p. 530) geeft: “chochom, chochem, chochemer, in der Schreibung kochem, kochemer üblicher, der Weise, Kluge, Gescheidte, Geriebene, Gauner.”

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goochem slim 1800 [MOO] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal