Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hof - (omsloten ruimte; adellijke omgeving; rechtsprekende instantie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hof zn. ‘omsloten ruimte; adellijke omgeving; rechtsprekende instantie’
Onl. in de plaatsnaam VVintreshouo ‘Wintershoven (Limburg BE)’ [976; Gysseling 1960] en in de samenstelling frihof ‘binnenplaats’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hof ‘omsloten ruimte, tuin; woning, (adellijke) verblijfplaats’ in noch burch ne stichtet nog hof ne willet halden ‘noch een burcht sticht noch hof wil houden’ [1200; CG II, Servas], her nam dat kínt bi der hant ende leite it in den hof lanc ‘hij nam het kind bij de hand en leidde het door de lange tuin’ [1201-25; CG II, Floyr.], niemen in den hof ne wilder crone draghen ‘niemand aan het hof wilde er de kroon dragen’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘rechtszitting’ in hi winnet gelt in allen hoven [1300-25; MNW-R].
De Nederlandse betekenissen zijn sterk beïnvloed door die van Oudfrans cort (Nieuwfrans cour) < Laatlatijn curtis < klassiek Latijn cohors (genitief cohortis) ‘erf, binnenplaats, omheind gebied’. De oorspr. betekenis, verondersteld op grond van de niet-continentale, minder door het Frans beïnvloede Germaanse talen, is wrsch. ‘gebouw’; in het Nederlands is hiervoor geen duidelijke attestatie.
Met vergelijkbare betekenissen als in het onl. en mnl.: os. hof (mnd. hof); ohd. hof (nhd. Hof); ofri. hof (nfri. hôf, hou); met andere, wrsch. oudere betekenissen: oe. hof ‘woning, tempel’ (me. hove); on. hof ‘heidense tempel’ (nijsl. hof, nzw. hov ‘hof’), on. ook hof ‘hof’ (< mnd.; nno. hoff); alle uit < pgm. *hufa-.
De verdere herkomst is onzeker. Mogelijke etymologieën zijn: a) verband met pgm. *hubila-, zie → heuvel, waarbij men moet denken aan de geschiktste plaatsen waar belangrijke gebouwen konden worden neergezet (Bjorvand/Lindeman); b) verwantschap met Latijn cavus ‘holte’, bijv. in cavus aedium ‘binnenhof’, bij een wortel pie. *ḱou- (Kluge); c) herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal (Boutkan/Siebinga 2005), op grond van de onzekere Indo-Europese etymologie, de beperkte geografische spreiding en de mogelijkheid om hof in dat geval te combineren met het eveneens moeilijk te etymologiseren → hoeve, oorspr. ‘stuk land’.
De belangrijkste Middelnederlandse betekenis ‘huis van adel’ leeft nog steeds voort en heeft nu vooral betrekking op koninklijke huizen. De betekenis ‘tuin’ is in het BN nog zeer gangbaar, maar is in het NN verouderd en alleen nog bekend in samenstelling als kerkhof en doolhof, en in de verkleinvorm hofje ‘tuin, met omliggende en bijbehorende woningen’.
De uitdrukking het hof maken ‘verleiden, versieren’, eerder ‘iemand hulde betuigen’ is een leenvertaling van Frans faire la cour, met hof c.q. cour in een overdrachtelijke betekenis ‘eerbetoon aan vorst (e.d.) door zijn hofhouding’.
hoffelijk bn. ‘zeer beschaafd en beleefd, galant’. Mnl. hoveleg ‘betreffende het hof’ [1240; Bern.], hovelic ‘id.’ [ca. 1440; Harl.], hovelike glorie [1450-1500; MNW]; vnnl. ‘weelderig, overdadig’ in alwaer sy seer hovelijck op hare wijse van den Gouverneur ... ontfangen zijn geweest [1598; WNT land] en hoffelicke maeltijd [1599; Kil.]; vnnl. hoflick ‘beschaafd, vriendelijk’ [1542; Claes 1997]. Afleiding van hof (verbogen vorm hove), met latere vormaanpassing aan de nominatief. De betekenis is verschoven en verwijst in het Nieuwnederlands niet meer naar de betekenis van hof, maar alleen nog naar de positieve eigenschappen die aan een hof verbonden personen geacht worden te bezitten. Zie ook → heus en → hoofs. ♦ hofstede zn. ‘boerderij’. Onl. hofstedi ‘stuk land waarop een hoeve staat of kan staan’ in sidilia ... quę ofstedi dicuntur ‘een nederzetting die hofstede genoemd wordt’ [918-48, kopie 1091-1100; ONW]; mnl. hofstede, hofstat ‘boerderij met bouwgrond’. Samenstelling met → stede (vergelijk os. hofstedi, ohd. hovastat). In het Middelnederlands was dit het gewone woord voor boerderij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hof* [omheind stuk grond, omgeving van een vorst, rechtbank] {in de plaatsnaam VVintreshouo, nu Wintershoven (Belgisch-Limburg) 976, hof 1200} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, oudnoors hof; wel van dezelfde stam als heuvel. De uitdrukking iemand het hof maken [iem. zijn eerbiedige opwachting maken] is een vertaling van frans faire la cour, gezegd vooral van hovelingen tegenover de vorst. De uitdrukking open hof houden [open tafel houden] bevat een herinnering aan het hof houden in de Middeleeuwen, waarbij vorsten grote maaltijden hielden waaraan iedereen kon deelnemen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hof znw. m., mnl. hof o. m. ‘omheinde ruimte, hofstede, adellijke woning, hof van een vorst; rechtszitting’, os. hof m. ‘woning met bijbehorende gebouwen, hof van een vorst’, ohd. hof m. ‘tuin, omheinde ruimte, woning met bijgebouwen, hof van een vorst’, ofri. hof ‘hoeve, kerkhof, gerechtsplaats, rechtszitting, vorstelijk hof’, oe. hof o. ‘hoeve, woning’, on. hof o. ‘erf met gebouwen; heidense tempel’. — Zie ook: heus en gehucht.

Gewoonlijk verbonden met de groep van heuvel, met de verklaring dat de mens zijn woning op een hoger gelegen terrein placht te vestigen (nog Kluge-Mitzka 312). Meringer heeft zelfs gedacht aan een oorspr. bet. ‘woonkuil’. Het is echter duidelijk, dat het grondbegrip, waarvan alle andere uitstralen, die is van ‘omheinde ruimte’; dat maakt het waarschijnlijk dat het woord uiteindelijk tot de sfeer van vlecht- en leemtechniek zal behoren. Dan kan men echter vergelijken nnd. dial. hüwe, oe. hȳf (ne. hive) ‘bijenkorf’, on. hūfr ‘scheepsromp’, waarmee te vergelijken lat. cūpa ‘ton, kuip’, gr. kúpē ‘holte’, oi. kūpa- ‘kuil, hol’, lit. kaũpas, osl. kupŭ ‘hoop, stapel’ (IEW 591). Die stelt men dan tot de idg. wt. *keu ‘buigen, bukken’, maar J. Trier ZfdPh 70, 1949, 349 wil eerder uitgaan van een vlechtwerk, zoals lat. cupa eigenlijk ‘met leem besmeerde gevlochten korf’. Dan zou men bij hof eveneens van de gevlochten omheining moeten uitgaan, vandaar breidde zich dan het woord uit tot alles wat daarbinnen werd opgericht: hoeve, vorstelijk verblijf, tempel. Ook het begrip ‘rechtszitting’ krijgt daardoor zijn ware betekenis: zij werd gehouden in een ruimte, die door een omheining of anderszins afgeperkt werd. Voor een gelijksoortige bet. ontw. zie: tuin.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hof znw. o. (de hof = “de tuin”), mnl. hof (hōves) o. m. “omheinde ruimte, hofstede, adellijke woning, vorstelijke woning, hof van een vorst, hoffeest, terechtzitting”. = ohd. hof m. “tuin, omheinde ruimte, woning met alle bijbehoorende gebouwen, hof van een vorst” (nhd. hof), os. hof m. “woning met bijbehoorende gebouwen, woning of hof van een vorst of hooggeplaatst persoon”, ofri. hof o. “hoeve, kerkhof, gerechtsplaats, gerechtszitting, vorstelijk hof”, ags. hof o. “hoeve, woning”, on. hof o. “ingesloten ruimte met gebouwen, heidensche tempel” (NB. laat-on. hôf o. “feestelijke bijeenkomst van genoodigden” is uit het Du. ontleend). Wsch. van de bij heuvel besproken basis. Oorspr. bet. “woonhol”? Of “bol boven de aarde uitstekende woning”? Van hof komen heus en gehucht. De bet. van hof in ’t Du. en Ndl. en Fri. is beïnvloed door die van fr. cour. Evenzoo is mnl. hōvelijc (waarvoor sedert Kil. hoffelijk), mhd. hovelich (nhd. höflich), mnd. hōvelik “hoofsch, wellevend, welgemanierd” onder invloed van fr. courtois opgekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hof m. en o., overal id., uitgen. Got.; verwant met heuvel en hoop 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoof (zn.) tuin; Aajdnederlands houo <976>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Hof’ van Justitie (het), het hoogste van de twee Surinaamse burgerlijke rechtscolleges, zaken behandelende die in Nederland door een gerechtshof of door de Hoge Raad zouden worden behandeld; tevens ambtenarengerecht. Het Hof van Justitie is gevestigd te Paramaribo en vonnist in alle zaken met drie rechters. () Het Hof is voornamelijk appelrechter en neemt als zodanig kennis van het hoger beroep van alle daarvoor niet onvatbaar verklaarde vonnissen en beschikkingen van de kantonrechters*, in burgerlijke en strafzaken gewezen (Enc.Sur. 526). - Zie ook: kantongerecht*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

hof 'boerenerf, hofstede'
Onl. hove 'boerenerf, hofstede', in plaatsnamen vaak in datief meervoud hoven. Met vergelijkbare betekenissen ofri. hof, os. hof, ohd. hof; met oudere betekenis in oe. hof 'woning, tempel', ono. hof 'heidense tempel'. Opvallend voor Zuid-Limburg is dat veel nederzettingen bestaan uit een grote boerderij met daarbuiten een gehucht. De boerderij heet dan net als de plaats, maar dan uitgebreid met hof, zoals Oenselderhof, Eyserhof1 en → Lahrhof.
Lit. 1Renes 1988 223.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hof (het -- maken) (vert. van Frans faire la cour)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hof ‘omheind stuk grond’ -> Schots howf, houff ‘begraafplaats; omheind terrein, in het bijzonder om hout op te slaan; verzamel-, ontmoetingsplaats; schuilplaats’; Frans dialect hof ‘binnenplaats’; Negerhollands hofje, hofi, hoffie ‘tuin’; Papiaments hòfi (ouder: hoffie) ‘boomgaard, omheind terrein, vaak een hofje, waar dans- en andere feesten gehouden worden’.

hof ‘omgeving van een vorst’ -> Deens hof ‘omgeving van een vorst’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hoff ‘omgeving van een vorst’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins hovi ‘omgeving van vorst’ (uit Nederlands of Nederduits).

hof ‘rechtbank’ -> Fries hof ‘rechtbank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hof* omheind stuk grond 0976 [Claes]

hof* omgeving van een vorst 1200 [CG II1 Servas]

hof* rechtbank 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

913. Iemand het (of zijn) hof maken,

d.w.z. iemand hulde bewijzen; vooral gezegd van een heer tegenover eene dame, haar eer bewijzen, complimentjes maken, beleefdheid bewijzen om bij haar in de gunst te komen; zie W. Leevend II, 151: Mama is geheel op zyne hand. Trouwens hy maakt ook veel meer zyn hof by haar dan by my; Halma, 221: Zijn hof maken, zig in de gunst van 't hof, of van de grooten dringen, faire sa cour; Sewel, 338: Zyn hof by de grooten maaken, to make one's court to the great; Weiland: Zijn hof bij iemand maken, zich in iemands gunst dringen. Onze uitdr. is eene vertaling van de Fransche faire la cour, dat in de eerste plaats gezegd werd van een hoveling tegenover den vorst, en waarin cour de bet. had van hulde (hommage presenté au souverain par les personnes de son entourage) en vervolgens ook gebruikt werd van iemand, die zich de gunst wilde verwerven van invloedrijke personen of van eene dame; fr. faire la (ou sa) cour à une femme; hd. jemand den Hof machen oder die Kour schneiden; eng. to pay one's court to a person.

914. Open hof houden,

eig. een open, vrije tafel houden, waaraan ieder die wil, kan aanzitten; daarna: ieder te gast nooden, ieder gastvrij onthalen; goede sier maken; vroeger ook open tafel houden; fr. tenir table ouverte; eng. to keep open table, house, doors. Deze uitdr. bewaart eene herinnering aan de middeleeuwsche gewoonte, dat de vorsten op zoogenaamde hofdagen of hoffeesten, groote maaltijden aanrichtten, waaraan ieder die wilde kon deelnemen (fr. tenir cour plénière); A. Schultz, Das Höfische Leben zur Zeit der Minnesinger 2te Aufl. I, 363-368. Vgl. bijv. Couchy I, vs. 687 vlgg.:

Dit was upten Tsinxendag,
Dat men den edelen coninc sach
Crone draghen ende houden hof,
Om te meersene zinen lof.
Te hove ghingen si daer naer.
Open so stoeden al die doren:
Na des hoves toe behoren
Ende na des daghes hoecheit
Was thof niemen wederzeit
Was hi cleene ofte groot.

Zie voor andere plaatsen het Mnl. Wdb. III, 493-494; Ndl. Wdb. XI, 514; en vgl. mlat. curiam habere; Kiliaen: Open hof, convivium publicum en coena gratuita; Leuv. Bijdr. VI, 310: Die sulcke houdt hof met openen dueren; Sart. II, 2, 89: Semper aliquis in Cydonis domo, hy houdt open-hof; Van Moerk. 355 en 379; Halma, 221; Sewel, 338; C. Wildschut I, IX; Antw. Idiot. 1936: Open hof houden, ieder die wil komen vergasten.

1201. Hij is in zijn knollentuin

of in zijn knollen (o.a. in Boefje, 11; 196; 218; Landl. 246), d.w.z. hij heeft het recht naar zijn zin, is in zijn schik; oorspr. zeker van een haas gezegd, die zich te goed kan doen aan het lof van knollen, die in zijn ‘knolleland’ zit. De uitdr. is aangetroffen in de 17de eeuw in de Tien Vermakelikheden des Houwelyks, anno 1678, bl. 138: Niemant vergeet u toe te wenschen dat gy toekomende jaar een dochter by uw zoon, of een zoon by uw dochter moogt hebben, meynende dat het spul dan volmaakt, en gy geweldig in uw knoltuyn zijn zoudt; zie ook Gew. Weeuw. III, 69; Harreb. I, 421; Nkr. I, 23 Juni p. 2; III, 13 Juni p. 2; VI, 24 Febr. p. 2; 21 Dec. p. 2. In de Br. v. Abr. Bl. I, 44; 64; 128; C. Wildsch. II, 155; III, 25; VI, 97, enz. komt voor in zijn tuin zijn. Te vergelijken zijn uitdrukkingen als: hij is nu recht op syn koeweyde (Campen, 122; Coornhert, Van den thien Maeghden, fol. 471); Sart. II, 6, 33: hier is hy in gras-duynen; hier is hy in zyn schick, in syn koewey, oorspr. natuurlijk van eene koe gezegd; in zijn veld zijn (Tuinman I, 241); op de deune zijn (Twente); in zijn hof zijn (Harreb. I, 313); op zijn dreef zijn (zie no. 489); op zijn oude doft (= roeibank) zijn; hij is in zijn bouw; fri.: hy is yn syn bou (bouwland) of yn syn kouwefinnen (veeweiden); uit zijn loef (eig. dol van een roeiriem) zijn, niet in zijn schik zijn (Schuerm. Bijv. 188); hij is in zijn klavergers (De Bo, 527; Schuerm. 247 b); in zijn weêre zijn (De Bo, 1375); op z'n kantoor zijn (Onze Volkstaal I, 37; Sart. I, 7, 57 en vgl. C. Wildschut I, 47: op zijn comptoir zijn) en het Zaansche op zijn raap zijn, in zijn polder zijn en weer op de klaver zijn (Boekenoogen, 804 en 441), hersteld zijn na eene ziekte; op zijn akkertje zijn (in Jord. 307); in zijn folion zijn (S. en S. 31); vgl. het eng. to be or live in clover, in gelukkige omstandigheden verkeeren, in weelde leven. In het Latijn zeide men in arena sua esse (vgl. o.a. Sart. III, 7, 40).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal