Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hutjemutje - (dicht op elkaar gepakt)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

huidjie: (in uitdr.) meten muidjie, wv. m. ui/eu/u en intervok. t, “met sak en pak”; Ndl. hutje en mutje, m. talryke wv., veral by Stoe NS wat blb. die voorkeur daaraan gee dat albei wd. dies. bet., bv. “’n klomp hout”, terwyl WNT dink aan hut, “k(r)ot” en mot/mut, “(vark)sog” – ondanks talryke wv. en analoga bly herk. onseker.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

990. Met hutje en mutje,

d.w.z. met het heele huishouden, met pak en zak, alles, of zooals men in het Zaansch ook zegt: met klus en kluis (Boekenoogen, 460); in Zuid-Nederland heel de hutsekluts (Waasch Idiot. 301 b). Vgl. Sartorius I, 10, 98: Daer hutte met de mutte blijft; en II, 7, 1: Alle de hutte met de mutte, met kat en met muys; Pasquilm. 24: 't Hutje met mutje en al den horrelement sal de guyt nu moeten betaelen; ook in de 17de eeuw met hutje met tutje; en huttegetut (zie Ndl. Wdb. VI, 1329; 1333); vgl. verder Tuinman I, 373: daar is 't hutje met het mutje, dat is alles; Harreb. I, 93: het hudje met het mudje, het mandje met de brokken; Nkr. VI, 9 Nov. p. 4; VIII, 28 Maart, p. 7: Het geheele hudje-met-mutje; Amst. 124; Jong. 151: Straks nemen ze hutje met mutje mee naar meheertje; Landl. 9: Met hutje en mutje naar de weerlag gaan; bl. 77: Dat ie z'n Mietje en de kinders gauw met hutje en mutje zou kunnen laten overkomen; Jord. II, 259: Zoo'n huttemetutje van een wijf; Handelsblad, 21 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 3: Nog velen verhuizen er geregeld met hutje en mutje, de duiten in goud en zilver aan den lijve gedragen; Het Volk, 17 Febr. 1915 p. 1 k. 2: Wij zijn hudje en mudje, allemaal bij elkaar, openlijke of bedekte reformisten. De uitdr. is in vele streken van ons land bekend. In Groningen luidt zij: hutjemitmutje; in Drente: met huttien en met muttien; in Kampen: utien bi-jt mutien (Gunnink, 227); in Deventer: hütjen en mütjen (Draaijer, 17); in Utrecht: hutsie en mutsie; in Noord-Holland: hudje met mudje (Bouman, 36; Veluwe: hutjen en mutjen (V. Schothorst, 145); in het Oostfri.: hütt mit mütt en hüttje met müttje; nd. de huetten mit der muetten; hutte mit der mutte; hüttje und müttje; hütti mit mütti; hützi mit mützi; hütt un mütt (zie voor allerlei vormen Korrespondenzbl. XXI, no. 3; XXVI, 86; XXVII, 28; 32; Reuter, 48 b); in Holstein: mit de hütt un mit de mütt (Molema, 172 b); De oorsprong der uitdr. is onzeker; misschien moeten we denken aan het Vlaamsche hot en mot, die beide een klomp hout beteekenenSchuermans, 196 en 392; Mnl. Wdb. III, 613. Gewoonlijk beteekent hot rugmand, korf, pak, zak (Schuerm. 195; Rutten, 128; Tuerlinckx, 276).. Ook de verklaring van Van Hasselt op Kiliaen, 238 en van Harrebomée I, 93 b, als zou hutje voor hoedje staan en dus hudje en mudje niets anders beteekenen dan de groote en de kleine maat, dus alles, voldoet niet. Misschien heeft De Jager, Frequ. I, 418 gelijk, wanneer hij hutje met het mutje vergelijkt met motjens en kotjens en dergelijke uitdrukkingen, waarbij van de twee daarin vervatte rijmwoorden dikwijls het eene naar het andere is gevormd, en in beteekenis eigenlijk daarvan niet onderscheiden. (Aanv.) zie Leuv. Bijdr. XVI, 63-64.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal