Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kogel - (projectiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kogel zn. ‘projectiel uit een vuurwapen’
Vnnl. koegel, kogel ‘projectiel uit een vuurwapen’ in om ... dat zij valsch gefhenijnt buskruid en koegels gemaakt hebben ‘omdat zij verraderlijk buskruit en kogels met gif hebben gemaakt’ [1572; WNT venijnen], met steenen cogelen ... schieten [1596; WNT wateren]; nnl. kogel ‘bol’ [1740; WNT].
Volgens FvWS, NEW, WNT wijst de huidige vorm kogel erop dat het woord inheems is. Koegel, volgens FvWS nu vooral Fries, Noord-Hollands, Gronings en Veluws, zou de inheemse oostelijke en Friese vorm zijn. Tot in de eerste helft van de 17e eeuw komt de vorm koegel/coegel volgens het WNT echter voornamelijk bij Hollandse schrijvers voor. Het woord is daarom wrsch. ontleend aan Duits Kugel ‘projectiel uit een vuurwapen’, algemener ‘bol’ [1301-19; Gärtner]. Door aanpassing aan het Nederlandse klanksysteem ontstond hieruit kogel. Ook de betekenis van het woord pleit voor ontlening: in het Vroegnieuwnederlands is die uitsluitend ‘projectiel uit een vuurwapen’. Bij een erfwoord zou men daarnaast vroege attestaties van de algemene betekenis ‘bol’ verwachten; die verschijnen echter pas in de 18e eeuw door hernieuwde betekenisontlening aan het Hoogduits.
Mhd. kugel ‘bol, kogel’ (nhd. Kugel), Oostenrijks-Duits Kogel ‘berg’ (alleen in bergnamen); nfri. kûgel; oe. cycgel ‘knuppel, knots’ (ne. cudgel); < pgm. *kugulō-, *kuggilō-. Indien de -l- een verkleiningsachtervoegsel is, kan mnl. cogge ‘soort schip’ (< ‘bol voorwerp’?) verwant zijn (nnl. kog(ge); ook in andere Germaanse talen), hoewel dit woord ook een Romaanse herkomst kan hebben (Oudfrans cogue). Daarnaast staan mhd. kiule ‘knuppel, knots’ (nhd. Keule) < pgm. *kūlja- en mhd. kūle ‘buil, bolling, kogel’ < pgm. *kūlōn-. Deze betekenissen kunnen uit ‘welving’ zijn ontstaan en dan bij pgm. *kūlō- ‘kuil’ horen (Kluge), zie → kuil.
Een andere mogelijkheid (Kluge) is dat pgm. *kugulō- is ontstaan uit *kuwulō-, en dit door dissimilatie uit *kluw-l- en dan verwant is met → kloot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kogel1* [projectiel] {1599} middelhoogduits kugel(e) [bal], oudengels cycgel (engels cudgel) [knots]; buiten het germ. litouws guga [zadelknop], russisch guglja [gezwel]. In de uitdrukking de kogel is door de kerk [de beslissing is gevallen] is vermoedelijk ‘de kerk’ later toegevoegd vanwege het beginrijm, vgl. frans le coupe est parti.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kogel znw. m., mnl. coghele (zelden) m. ‘stok met rond uiteinde’, Kiliaen ‘bol, bal’ (Germ. Sax. Fris. Holl.), mhd. kugele, kugel v. ‘kogel, bol’. — Verwante woorden zijn met -gg-: ne. cycgel (< *kuggila; ne. cudgel) en kog 1 en met -k-: nijsl. kjūka ‘knokkel’, nnoorw. kjūka ‘klomp’, kokla ‘dennenappel’, oe. cyćel (ne. dial. kitchel) ‘koekje’ en met -kk-: ohd. coccho, nhd. dial. kocke ‘hooihoop, mesthoop’. — lit. gugà ‘knop, bochel, heuvel’, gaũgaras ‘bergtop’, russ. guglja, pools guga ‘buil’; idg. wt. *gugā ‘bol’ (IEW394), dat zelf weer een gutturaal-afleiding van de wt. *gēu: ‘buigen, welven’ is. — Zie ook: kog 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kogel znw., mnl. (zeldzaam) cōghele m. “stok met bolvormig uiteinde”, sedert Kil. de bet. “bol, bal”; Kil. noemt ’t woord “Germ. Sax. Fris. Holl.” = mhd. kugel(e) v. (nhd. kugel) “kogel, bol”. Met opvallende oe fri. N.Holl. koegel (uit ’t Hd.?). Men verklaart de ӡ wel uit w (vgl. jeugd): dan zou kogel na met kiel II en kuil I verwant zijn. Evenwel kan kogel, en ook kog, ook van een germ. basis ku-ӡ- komen en hoogerop met kiel II en kuil I verwant zijn. Naast ku-ӡ- staat ku-k-, keu-k- in noorw. dial. kjuka v. “knoest”. Een grondvorm *kluӡilô- (-an-), verwant met kluwen, met dissimilatorisch weggevallen l, is niet onmogelijk, maar ook niet wsch. Met kogel is wsch. ags. cycgel m. “knots” (eng. cudgel) verwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kogel. De “opvallende” oe-vormen (fri. Noordholl. Gron. Vel.) zijn wsch. niet uit het Hd. ontleend, maar op fri.-holl. gebied als friese, in het Vel. Gron. wellicht als de normale inheemse vorm te beschouwen: v.Wijk Tschr. 31, 304; W.de Vries Tschr. 32, 170.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kogel m., Mnl. koghele + Mhd. kugele (Nhd. kugel), verwant met Hgd. keule en Eng. cudgel: Ug. *kugul-, uit *kuwul + Skr. golas: z. kiel 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kochel (DB), zn. m.: inzet, inleg (in spel); steentje als amulet. Wsch. var. van kogel ‘kogel, ronde bal’. Afl. kochelen ‘winst bijbrengen (gezegd van de kochel), een steentje gebruiken als amulet’. De bet. ‘inzet’ < kogelen ‘met kogels schieten, gooien, smijten’. De bet. ‘plat steentje’ (wellicht ook rond als een kogel) ook in kochelen, Holl. kuchelen, Zaans koegelen ‘platte steentjes over het watervlak doen scheren, keilen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

koeël: – (ouer) koegel/kogel – , by Trig oe/o (lRo T DLT 244) en in CMM v. 1872 nog koegel (Scho TWK 14, 4, p. 190); Ndl. kogel/koegel, lg. meer bep. NHoll. en Fri., by vRieb o.a. coegel (v. Kloe HGA 35-6), sodat Hd. kugel, hoewel nie uitgesluit nie, nie hoef mee te tel nie, en Lmnl. coegele ’n misleidende spelvorm kan wees met oe = oo (v. lRo T DLT 244).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kogel. Een scholiere uit Voorhout kent de verwensing krijg allemaal lekker de kogel! Het is duidelijk dat ze woede, onmacht en minachting uitdrukt en het best weergegeven kan worden met ‘barst, sterf’.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

kogel-

‘Eigenlijk’ zijn de samenstellingen met kogel-, in de betekenis ‘bol’, germanismen (D. ‘Kugelachse... Kugellager’) maar het gebruik heeft altijd het laatste woord: kogelas, -gewicht, -kussen, -leger worden nu algemeen als correct Nederlands beschouwd; i.p.v. kogelkussen en kogelleger vindt men echter vaker kogellager, dat eveneens ingeburgerd is, ondanks het feit dat er jarenlang tegen geprotesteerd is door puristen en door woordenboeken als Van Dale en Kramers.

Kogelvorm (‘bolvorm’) en kogel(punt)pen (‘balpen’) worden door Van Dale nog als germanismen (D. ‘Kugelform, Kugelschreiber’) beschouwd. De andere woordenboeken maken er echter geen bezwaar tegen. Dit neemt niet weg dat ‘balpen’ en ‘ball-point’ gebruikelijker zijn dan kogel(punt)pen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kluwen, van den Germ. wt. klu, kleu (Idg. glu): samentrekken tot een bal. Van dezen wt. stamt ook vermoedelijk: klauw = om het samentrekken der teenen of nagels; verder zouden kluit en klont familie zijn. Ook kogel (Veluwsch koegel; Hgd. Kugel, dial. Kulgel) brengt men er mee in verband.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kogel ‘projectiel’ -> Indonesisch kohel ‘projectiel’; Negerhollands koegel ‘rond of cilindervormig projectiel met spitse punt dat uit een vuurwapen wordt geschoten’; Sranantongo kugru ‘projectiel’; Arowaks kogel ‘projectiel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kogel* projectiel 1599 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1222. De kogel is door de kerk,

d.w.z. na lang aarzelen is er een besluit genomen, zoodat er niets meer aan te veranderen valt; de teerling is geworpen. Sedert de 18de eeuw was deze zegswijze bekend, blijkens Tuinman I, 31, die haar verklaart als: ‘daar word niets meer ontzien. De reden van dit spreekwoord kan zyn, om dat men by 't Pausdom zonderlinge eerbied heeft voor de kerkgebouwen, en gelooft dat de Heiligen, waar aan die zyn toegewyd, en welker overblijfzels men daar in bewaart, zeer worden beledigt en vergramt, wanneer men die beschadigt. Hierom plegen de kerken in belegeringen en verwoestingen verschoont te worden. Is dan de kerk zelf aangetast en doorschoten, 't is een blyk, dat men door geen ontzag wordt afgeschrikt, en nu alles durft ondernemen. Die het heilige niet spaart, en de vreeze daar voor afgelegt heeft, zal dan het ongewyde nog minder verschoonen. Dit wordt toegepast op zulke, die door eenige stoute daad zich ontdekt, en het wederhoudend ontzag afgeworpen hebben, om dus voort te gaan.’ Zie verder V. Janus II, 22; III, 88; Uit één pen, 119: Verschillende malen reeds had Krent op het punt gestaan om den kogel door de kerk te schieten en ronduit om Juffrouw Pothof's hand te vragen; Kmz. 336; Dsch. 192; Archief IV, 40; Noord en Zuid XXVII, 120; De Cock1, 28 en vgl. het Friesch de koegel is troch 'e tsjerke. De door Tuinman gegeven verklaring is zonder nader bewijs niet aan te nemen. Waarschijnlijk staat de kerk er alleen voor de alliteratie. Zie Verdam, Uit de Gesch. der Ndl. Taal3, 171-172 en vgl. de fr. uitdr. le coup est parti.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gēu-, gǝu-, gū- ‘biegen, krümmen, wolben’, Nominalbildungen: gudo-m ‘Darm, Eingeweide’, gut-r̥ ‘Kehle, Hals’, gugā ‘Kugel, Buckel’, geu-lo-s ‘rundes Gefäß, Kugel’, gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’, gupā ‘Erdhöhle, Stall’, geu-ro-s, gou-ro-s ‘gekräuseltes (Haar, Welle)’, gur-no-s ‘Rücken, Hüfte’, gū-ro-s ‘rund, gekrümmt’.

Unerweitert wohl in gou̯ǝ- : gū- ‘Hand’, s. dort; ferner norw. kaa ‘das Heu umdrehen, wenden’, anord. ‘die Ruhe stören’ (*kawōn); kā-beinn ‘krummbeinig’ (*gou̯o-; air. gāu, ‘Lüge’, falls aus *gōu̯ā, hierher, sonst mit lat. haud zu verbinden); über gr. γύης, γυῖον s. unten S. 398, über γύαλον s. unten S. 397.
a. Dentalerweiterungeu :
gud-, geud- (vereinzelt gu̯-ed-?), vor allem im Germ.; gudo-m ‘Darm’.
Ai. gudám ‘Darm’;
maked. γόδα· ἔντερα Μακεδόνες Hes.;
ndd. küt ‘Darm’, nhd. bair. kütz ‘ein Teil der Gedärme’; ndd. küt, küte auch ‘Eingeweide kleinerer Tiere, Rogenbeutel; Wade; Tasche, Beutel’, mnd. kūt ‘Weichteile im Tierkörper, Rogenbeutel, Wade’, holl. kuit (*kūt-) und kiete (*keot-) ‘Fischrogen; Wade’, engl. mdartl. kyte, kite ‘Bauch, Magen’ (vgl. zur Bedeutung unten qiþus);
afries. kāte (*kaut-) ‘Knöchel’, mnd. kōte, kūte ‘Huf, Klauen, bei Pferden das Fußgelenk’, ndd. (und entlehnt nhd.) Kote, Köte ‘Knöchel, Fessel der Pferde’, Demin. mnd. kötel, nd. Kötel (aus *kutil) ‘rundliche Exkremente z. B. von Ziegen, Pferden’, mndl. cotel, holl. keutel ‘ds., Kegel, Knirps’;
norw. dial. kyta ‘Buckel, aufgebauschte Falte, Anschwellung an einem feisten Körper, sackförmige Erweiterung eines Netzes’, schwed. dial. kūta ‘mit gekrümmtem Rücken gehen oder laufen’, nhd. kauzen = kauern (‘sich zusammenkrümmen’), geminiert schwed. kott(e) ‘Tannenzapfen’, dial. kutte, kutting ‘kleiner feister Knabe’;
mit dem Begriff der Einbiegung, Höhlung: ndd. kūte ‘Grube’, mhd. kūz, nhd. Kauz ‘Grube als Gerichtsstätte’ (formell = norw. dial. kūt ‘Verkrüppelung im Wuchs’, schwed. dial. ‘Knolle, Buckel’; mhd. kūte ‘Grube, Loch’, nhd. mdartl. Kaute ds. wohl aus dem Ndd.); norw. dial. køyta ‘Einsenkung im Erdboden, Pfütze; Gefäß, worin man Fische trägt’ (*kauti-) = mhd. kætze, nhd. mdartl. Kötze ‘Ruckkorb’, ags. cȳte ‘Hütte, Haus, Lager’ ( = īe) = norw. køyta ‘Waldhütte aus Zweigen’, vgl. nhd. dial. kieze ‘Bastkorb’ (-eu-), ags. cȳt-wer ‘Fischreuse’ mit expressiver Geminata mnd. usw. kutte ‘cunnus’ (mhd. kotze ‘meretrix’); Loch = schlechte Wohn- oder Liegerstatt: ndd. (und entlehnt nhd.) kot, kote ‘Schuppen, Stall, Hütte’, mndl. cot, cote ‘Höhle, Lagerwilder Tiere, Stall, schlechte Hütte’, ags. cot ‘(Räuber-) Höhle, Haus, Lager’, anord. kot ‘kleine Hütte’, kytia ds.;
nasaliert anord. kunta ‘vulva’ aus mnd. kunte ‘cunnus; auch Hinterer’, norw. schwed. kunt ‘Ranzen (von Birkenrinde)’; auch av. gunda-, gundā ‘Teigballen’?
gū̆-t-, geu-t-; über gu̯-et- siehe besonderen Artikel; gut-r̥ ‘Kehle’.
Lat. guttur (*gūtṛ, Bildung wie hitt. kuttar); n. (bei Plautus m.) ‘Gurgel, Kehle’, guttura (Plin.) ‘dicke Hälse, Geschwülste am Hals’;
dazu als ‘hautsackartige Gebilde am Hals’ u. dgl.:
geut- in ags. cēod(a) m. ‘Sack, Tasche’, ahd. kiot ds., mnd. kǖdel ‘Tasche’, mhd. kiutel ‘Wamme, Unterkinn’, nhd. Keutel ‘Fischnetz, Darm, Geschwulst’;
gut- in mnd. koder m., nhd. dial. Köderl, Goderl (*gut-ro-) ‘Unterkinn, Kropf’, ndd. koden ds., engl. cud ‘das Innere des Schlundes bei Wiederkäuern’, ndl. kossem ‘Unterkinn’ (*gutsmo-), norw. kusma ‘parotitis’; mhd. kuteln, nhd. Kutteln ‘Kaldaunen’;
mit expressivem dd: ags. codd m. ‘Hülse, Schote, Sack’, aisl. koddi ‘Kissen, Hode’; vielleicht ahd. kutti ‘Herde’, nhd. Kette, bair. kütt ‘Schar jagdbarer Tiere’;
hitt. ku-u-tar (kuttar), Dat. ku-ut-ta-ni (kuttani) n. ‘Nacken, Oberarm’ (= lat. guttur, s. oben); kuttanalli ‘Halskette’.
b. Gutturalerweiterungen; gugā ‘Kugel’.
Mhd. kugel(e), nhd. Kugel, mnd. holl. kogel ds., nhd. dial. Kogel ‘runde Bergkuppe’ (Persson Beitr. 113); rhein. Klugel, Krugel nach Persson wohl erst durch Verquickung mit kliuwel und Klüngel;
mit gg: ags. cyćǵel, engl. cudgel (*kuggila) ‘Knüttel’, anord. kuggr aus mnd. kogge, engl. cog ‘breites, plumpes Seeschiff’;
mit germ. k: isl. kjūka ‘Fingerknöchel’, norw. kjūka ‘Klumpen’, kokle, kukle ‘Klumpen’, kokla (und kogla), kokul ‘Fruchtzapfen der Nadelbäume’; ags. cyćel, nengl. dial. kitchel ‘kleiner Kuchen’; dazu anord. kjūklingr mit ‘Gänschen’, ags. ćiećen, nengl. chicken, mnd. kǖken, nhd. Küchlein ‘Hühnchen’;
mit germ. kk: ahd. coccho, nhd. mdartl. Kocke ‘Haufen, Heuhaufen, Misthaufen’, dän. kok(k) ‘Haufen, Heuhaufen’;
lit. gugà f. ‘Knopf, Buckel, Hügel’, gaũgaras m. ‘Gipfel eines Berges’;
russ. gúglja, poln. guga ‘Beule’ (Persson Beitr. 937); aber lit. gúogė, gógė f. ‘Kopf’, gõgas m. ‘Widerrist des Pferdes’, wohl nicht aus dehnstufigem *[u]-g-; anders darüber Trautmann KZ. 43, 176;
mit -g̑-:
npers. gūzak ‘Fußknöchel’ (?);
lit. gùžas ‘Knorren, Beule, Kropf’, gūžỹs ‘Kropf’, gaũžė ‘Kopf’, lett. gũza, guza ‘Kropf’, guzma ‘Haufen, Höcker’, gũža ‘Hüfte, Lende, Keule beim Braten’;
ačech. hýžě ‘Hüfte, Oberschenkel’, poln. giża, giza ‘Knochenkopf am Schienbein u. dgl.’ (auch ksl. gyža vinьnaja ‘Weinstock’, serb. gidža ds. als ‘Knorren, Knorrengewächs’); wahrscheinlicher hierher als zu *geng- (s. dort), poln. guz ‘Beule, Höcker’, guza ‘Hinterer’, sloven. gúza ‘Hinterer, Höcker’, wie z. T. wohl auch andere, an sich auch mit guz = gǫz- ansetzbare Worte (s. *geng-); doppeldeutig sind auch die Worte mit balt. (gunž-) gūž- wie gunžỹs, gūžỹs ‘Kropf bei Vögeln, Kopf des Oberschenkelknochens’ usw.; s. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb. I 685, 687;
neben lett. gū̆za, guzma stehen kuza ‘Haufen’, kuzma ‘Hühnerkropf’, die formantisch mit guza usw. im Zusammenhang stehen, im anlaut. k- aber ein mit av. fra-, apa-kava- ‘vorn, hinten mit einem Höcker’ und der Sippe qeu- ‘biegen, wölben’ zusammenhängendes Wort zur Voraussetzung haben;
über das von slav. guz- nicht sicher zu trennende gǫz- s. unter geng-.
c. Labialerweiterungen; gupā ‘Erdhöhle’.
Gr. γύπη ‘Erdhöhle, Schlupfwinkel, Geiernest’ (Hes.); γύψ, γῡπός ‘Geier’ (vom krummen Schnabel oder den krummen Klauen, wie γρύψ zu γρυπός ‘gekrümmt’);
ahd. chubisi ‘tugurium’, mhd. kobe ‘Stall, Schweinestall, Käfig, Höhlung’, nhd. Koben ‘kleines, schlechtes Gemach oder Gebäude, Schweinestall’ (dazu mhd. kobolt, nhd. Kobold, z.B. Kluge11 315), ags. cofa (engl. cove) ‘Kammer, Versteck, Höhle’ (daraus anord. kofi ‘Kammer, Zelle’), westfäl. küffe (*kufjō) ‘schlechte Hütte’; Grundbed. ‘Loch in der Erde als Wohngrube’, eigentl. ‘Einwölbung’, ndd. Kübbung ‘Anbau’; mhd. nhd. Kober ‘Korb’; holl. kub, kubbe ‘Fischreuse’; mhd. kobel m. ‘(gewölbter) Kasten, enges schlechtes Haus, Stall’; hingegen stammen mhd. kobel n. ‘Felsenschlucht’, kofel ‘Bergkuppe’, nhd. bair.-allem. Kofel, Kobel, Gufel, rätorom. cúvel, ital. cóvolo ‘Höhle, Felswand’ aus lat. *cubulum (zu cubāre) ‘Lagerstätte des Viehs’ (Zinsli, Grund u. Grat 322) und ahd. miluh-chubilī ‘Milchkübel’, mhd. kübel, nhd. Kübel wohl aus mlat. cupellus;
anord. kūfr ‘runde Spitze, Haufen’, norw. kūven ‘rundlich, gewölbt’ (davon norw. kuva, kyva ‘abrunden, abstumpfen’, vgl. auch schwed. kuffa ‘bändigen, stoßen = ndd. kuffen ‘stoßen, ohrfeigen’), holl. kuif (mndl. *cūve) ‘Federbusch, Schopf, Haube, Baumwipfel’ (vgl. in ähnlicher Bed. frühnhd. Kaupe ‘Federbusch, eigentlich Haube, auf dem Kopf der Vögel’ aus ahd. *kūba, wohl aus der rom. Sippe von cūpa, ebenso ags. cȳf ‘Faß, Tonne’, as. kūvīn ‘Faß’, vgl. frz. cuve aus lat. cūpa ‘Kufe’);
germ. *kubb-: westflämisch kobbe ‘Federhüschel, buschiges Нaar, Hutkopf’, aisl. kobbi m. ‘Seehund’, bair. koppen ‘buschige Krone eines Nadelbaumes’, engl. cub ‘Junges’, cob ‘runder Klumpen, Kopf, Spinne’, vermutlich auch isl. kubbur, kubbi ‘Klotz, Stumpf’ (dazu schwed. isl. norw. kubba ‘abhauen’);
germ. *kūp-: norw. dial. kūp ‘Buckel’, schwed. kupa ‘halbkugelförmiges Gehäuse, Bienenkorb’ u. dgl.; schwed. kypa ‘rundes Gefäß aus Stroh’, ndd. küpe ‘großer Tragkorb’, engl. dial. kipe (ags. *cȳpe) ‘geflochtene Fischreuse, Korb’; ablautend norw. dial. kaup ‘hölzerne Kanne’, kaupa ‘Knolle’;
hingegen stammen wohl aus lat. cuppa f. ‘Becher’: ags. copp m. ‘Gipfel, Becher’ (mengl. auch ‘Kopf), cupp m., cuppe f. ‘Becher’, nhd. (eigentlich md.) Koppe ‘Kamm (Haube) der Vögel’, Koppe, Kuppe, ‘runder Berggipfel’, mhd. kuppe, ahd. chuppa ‘Kopfbedeckung’ (mit expressiver Verschärfung ahd. chuppha ds., mhd. kupfe, kuffe, gupfe ds., gupf, gupfe m. ‘Gipfel eines Berges, Spitze des Turmes’, worin g- wohl Substitution für roman. c-; anord. koppr ‘Kopf, Gefäß, Helmknopf, Augenhöhle’ ist Lw. aus mnd. kopp); afries. mnd. kopp ‘Becher’, ahd. kopf, chuph ‘Becher’, mhd. kopf ‘Trinkgefäß, Hirnschale, Kopf’ (ähnlich rom. testa ‘Kopf’ aus lat. testa ‘Scherbe, Schale’, mlat. testa capitis), nhd. Kopf.
Nasaliertes germ. *kumb-: ags. cumb (engl. coomb) ‘Napf’ (in der Bed. ‘Tal’ aus abrit.*kumbo-s ‘Tal’), mnd. kumm(e) f. ‘rundes, tiefes Gefäß, Kufe, Napf’, nhd. Kumme ‘tiefe Schale’, schweiz. chumme ‘Zisterne’; *kump- (aus *kumb- mit Kons.-Schärfung) mnd. kump, mhd. kumpf ‘Gefäß, Tasse’, nhd. Kumpf.
Dazu vielleicht npers. gumbed ‘Wölbung, Kuppel, Becher’;
ferner vermutlich lit. gum̃bas m. ‘Wölbung, Geschwulst, Knorren’; lett. gum̃ba ‘Geschwulst’;
aksl. gǫba ‘Schwamm, Pilz’, skr. gȕba ‘Schwamm, Aussatz’, sloven. gǫ́ba ‘Schwamm, Pilz’, gȏbec m. ‘Maul’, аčеch. húba ‘Schwamm’, jünger ‘Maul, Lippe’, russ. gubá ‘Baumschwamm’; daneben gúba ‘Lippe’; im Slav. liegt Intonationswechsel vor, die Bedeutung ‘Maul’ ist überall jünger.
Unter einer Grundbed. ‘bergen’ wurde nhd. Koben verbunden mit av. gufra- ‘tief; geheimnisvoll, wunderbar’, angeblich ursprünglich ‘in eine Grube versenkt’?
d. Mit l-Suffixen; geu-lo-s ‘rundes Gefäß’.
Ai. gōla-ḥ ‘Kugel’, gōlā, gōlam ‘Ball, runder Wasserkrug’; vielleicht ai. gula-ḥ, gulī, gulikā ‘Kugel, Kügelchen, Spielball’ (oder als gel- zu *gel- ‘ballen’);
arm. kalum ‘ich nehme, fasse’ (*gu̯elō);
gr. γυλιός ‘längliche Tasche’ (auch γογ-γύλος? s. gong-; über γωλεός s. unter *gol- ‘liegen’);
gr. γύαλον ‘Höhlung des Panzers’, später ‘Schlucht’, meg. γυάλᾱς ‘Trinkbecher’, ἐγγυαλίζω ‘händige ein’ (vgl. zu letzterem ἐγγυάω unter *gou̯ǝ-) können auch als *γυσαλο- von der s-Erw. *g(e)u-s- stammen;
lat. vola f. ‘Höhlung der Hand, des Fußes’ (*gu̯-elā);
ahd. kiol, ags. cēol, anord. kjōll m. ‘(*rundliches) Fahrzeug, Schiff’ (die jüngere Bed. ‘Kiel’ durch Einfluß von anord. kjǫlr ‘Kiel’; germ. *keula- = ai. gōla-), ahd. kiulla ‘Tasche’; ags. cȳll(e) ‘Schlauch, Gefäß’, entlehnt aus lat. culleus; woraus finn. keula ‘Steven’, anord. kȳll m. ‘Sack, Tasche’ (ndl. kuil ‘der mittlere, sackförmige Teil eines Netzes’ aber nach. Franckvan Wijk Wb. 356 aus andl. kuidel von der t-Erw. der Wz.); ahd. kūli, mhd. kiule, nhd. Keule (urgerm. *kūlōn-) ‘Stock mit dickem kugelförmigem Ende’, mnd. kūle ‘Keule, keulenförmiges Gefäß, Hode, Geschwulst, Kaulquappe; (konkav:) ‘Grube, Höhle’ (letztere Bed. auch in mhd. kūle, nhd. (md.) kaule und aschwed. kūla), mhd. kūle, nhd. Kaule ‘Kugel, kugelförmiger Gegenstand’, nhd. Kaulquappe (vom kugelförmigen Aussehen), anord. kūla ‘Beule, Kugel’; nhd. mdartl. kulle ‘Kugel, Rolle, Walze’, kullern, kollern ‘rollen, kugeln’ (: gr. γυλλός· κύβος ἤ τετράγωνοςλίθος Hes. mit Verblassen der Bed. des runden?); vermutlich auch anord. kollr m. ‘abgerundeter Gipfel, Kopf’, mnd. kol, kolle m. ‘Kopf, oberster Teil von Pflanzen’, nhd. küllbock und (hochstufig) kielbock ‘hornloser Bock’, vgl. alb. tsjap gul ‘hornloser Bock’; norw. køyla (*kauliōn) ‘Rinne, Kanal’.
e. Mit n-Suffix; gou-no-m ‘Gekräuseltes, Gewölbtes’.
Av. gaona- n. ‘Haar (bes. der Tiere); (Haar)farbe’ (vgl. oben lit. gauraĩ usw.);
speziell germ. Bildung anord. kaun n. ‘Beule’, mnl. coon f. ‘Kiefer, Kinnbacken’, nld. koon ‘Wange’ (*kaunō); dazu got. kuna-wida ‘Fessel’ (‘gekrümmter Strick’, zu ahd. widi ‘Strick’).
f. Mit r-Suffixen; geu-ro-s, gou-ro-s, gū-ro-s, gur-no-s.
Arm. kuṙn Gen., kṙan ‘Rücken’ (= lit. gur̃nas), kr-ukn, Gen. krkan ‘Ferse’, kur, Gen. kri ‘Boot, Kahn’, auch ‘Becken, Napf, Pfanne’; kray (*gūrāti-) ‘Schildkröte’; o-stufig kor (*gou̯-ero- oder -ero-) ‘gekrümmt, gebogen; verkehrt’, kori ‘Kanal’, koriz ‘Geschwulst; Obstkern, Samenkorn’;
gr. γῡρός ‘rund, ausgebogen’, γῦρος ‘Rundung, Kreis, runde Grube’, γῡρόω ‘krümme’, γυρῖνος oder γύρῑνος ‘Kaulquappe’ (wie mnd. kū-le, nhd. Kaulquappe, s. oben);
mir. gūaire ‘Haar’ (ursprüngl. ‘*Kraushaar’, vgl.:) nir. guairneán ‘Wirbelwind’;
norw. kaure ‘krause Locke (bes. von Wolle)’, kaur ‘gekräuselte Welle’ (idg. *gou-ro-; daneben germ. *kau̯-ara- in:) anord. kārr m. ‘krause Locke’, kāri ‘das Wasser kräuselnder Windstoß’, norw. kåre ‘Hobelspan’; mit -eu- das germ. Lehnwort finn. keuru ‘curvus’; mit ū (vgl. γῡρός und die ū̆ enthaltenden arm. Worte) norw. kūra ‘sich zusammenkauern; ruhen’, mnd. kūren ‘(dem Wild) auflauern’, nhd. kauern; mit Anwendung von Gerinnen der Milch norw. kjøre (*keuran-) ‘Käse im ersten Zustand’, kūr (*kūra-) ‘ds., geronnene Milch’, køyr (*kauri-) ‘Käsemasse von säuerlicher Milch’, kaara (*kau̯arōn) ‘gerinnen, käsig werden’ (fraglich hingegen sloven. usw. žȗr ‘Molken’ wegen der auf weisenden Nebenform sloven. zȗra, zọ̑ra ‘Molken’);
lit. gaũras m., meist Pl. gauraĩ ‘Haar am Körper, Flachsfaser’, lett. gauri m. Pl. ‘Schamhaare’ (vgl. oben av. gaona- n. ‘Haar’); lit. gur̃nas m. ‘Hüfte, Fußknöchel’, lett. gùrus ‘Hüfte, Gabel am Spinnrad’ (= arm. kuṙn); lit. gū̃rinti, gūrúoti ‘gekrümmt gehen’, lett. gūrâties, guôrîties ‘sich rekeln’; lit. kálno gùras m. ‘Bergvorsprung’;
serb. gȕra f. ‘Höcker’, gȕriti se ‘sich zusammenziehen, krümmen’; ob hierher skr. žúriti se ‘sich eilen’?; s. auch unter g̑eu- ‘fördern, eilen’; auch bulg. gúrkam, gúrnъ ‘tauche ins Wasser’?; die Intonation erforderte *gōurā oder *gou̯erā (vgl. oben anord. kārr usw.).
g. Mit s-Suffixen:
npers. gōšā ‘Winkel, Ecke’;
gr. γύης ‘Krummholz am Pflug’, ἄροτρον αὑτόγυον ‘Pflug, an dem Krummholz und Scharbaum noch aus einem Stück bestanden’ (s-Suffix unsicher), wozu γύης ‘Ackermaß’ (*γυ[σ]ᾱς-, aber auch *γυϝᾱς- möglich); gr. γυῖον ‘Glied Arm und Bein’, μητρὸς γυῖα ‘Schoß’, γυιόω ‘lähme’, woraus γυιός ‘gliederlahm’ (Grdf. *γυσ-ι̯ον; oder γυϝ-ι̯ον? ders. Zweifel bei γύαλον, s. oben), γαυσός ‘krumm, auswarts gekrümmt (von Beinen)’, γαυσόομαι ‘krümme mich’ (aber γαυσάδας· ψευδής Hes. vielleicht galatisch, zu air. gáu ‘Lüge’?) kann σ nach andern Adj. auf -σός für ‘gekrümmt’ bewahrt haben, doch ist auch das αυ schwierig, da ein Ablaut *gēu- : gǝu- trotz der häufigen Stufe *gū- nicht sicher steht; unklar hom. ἀμφίγυος, Beiwort des Speeres, und ἀμφιγυήεις, Beiwort des Hephaistos;
mnd. nnd. kūse ‘Kolben, Keule; Backenzahn’, norw. dial. kūs ‘Buckel’; schwed. kusa ‘cunnus’; anord. kjōss f. ‘Tasche’, kjōss m. ‘Bucht, Höhlung’, farø. kjōs f. ‘Kropf’, schwed. kjusa ‘Talschlucht’, kjus ‘Ecke eines Sackes’ u. dgl., norw. kȳsa (*keusiōn-) und køysa (*kausiōn-) ‘Haube, Kapuze’.

WP. I 555 ff., WH. I 112 f., 311, 629, 852, Trautmann 80, 100 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal