Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kut - (vagina)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kut zn. ‘vagina’
Vnnl. die cutt kussen (in een beschrijving van de favoriete bezigheden van een groep Leuvense studenten) [1532-1600; WNT], kutte der vrouwen schamelheyt ‘kut, het schaamdeel van de vrouw’ [1563; Meurier], cutte ‘vagina’ [1599; Kil.].
Mnd. kutte ‘kut’; mhd. kotze ‘hoer’, Beiers kütze ‘deel van de ingewanden’; < pgm. *kutjō-, *kuttō-. Nde. kusse ‘kut’.
Mogelijk verwant met → kot ‘hut e.d.’ (FvW), maar het betekenisverband is niet overtuigend. Onwaarschijnlijk is ook verwantschap met pgm. *kweþ- ‘onderlijf, buik’, waaruit o.a. Oudnoords kviðr ‘onderlijf, buik’ en Gotisch qiþus ‘baarmoeder’. Wrsch. is kut een substraatwoord, verwant met → kuit 1 en → kont. Ook onl. quintuc ‘hondsvot’ [8e eeuw; LS] zou verwant kunnen zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kut* [vrouwelijk schaamdeel] {1574} vgl. nederduits kutte, zweeds kutta; wordt, hoewel hierover geen zekerheid bestaat, veelal verbonden met gotisch qiþus [moederschoot], oudengels cwið(a) [idem] → kont.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kut znw. v., sedert Kiliaen, westf. kutte ‘cunnus’ (vgl. mhd. kotze ‘hoer’), uit grondvorm *kuttiō, kuttō met affectieve verdubbeling van de t.

Indien men uitgaat van de bet. ‘gat’, dan kan men verbinden met de groep van kot. Daarbij is te herinneren aan de onder kuit 2 vermelde woorden. In elk geval wijst de u op een geringschattende gebruik van het woord. Een vorm met nasalering hebben wij in kont (IEW 394). — Een andere verklaring verbindt het met got. qiþus ‘moederlijf’, on. kviðr ‘buik’, ohd. quiti ‘vulva’, oe. cwið m. cwiða m. ‘buik, uterus’ (waarvoor zie IEW 481 en W. L. van Helten Ts. 25, 1906, 62-67). — Met nl. kolonisten overgebracht naar het gebied van de Altmark tot aan Pommeren, waar ook kutte voorkomt (vgl. Teuchert Sprachreste 322).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kut znw., sedert Kil. Ook ndd. (westf. kutte v.) en zw. (kutta). Uit *kutt(i)ô(n)-. Als de oorspr. bet. “gat” < “inbuiging” is geweest, is verwantschap met kot wsch. De combinatie met got. qiþus m. “uterus”, on. kviðr m. “onderlijf, buik”, ohd. quiti “vulva”, ags. cwið m., cwiða m. “buik, uterus” ligt minder voor de hand. De oorsprong hiervan is niet zeker, misschien is o.a. ohd. quedilla v. “huid-blaasje” verwant; verder heeft men ags. codd “zak” (zie echter kuil II) en — eveneens hoogst onzeker — verschillende niet-germ. woorden, zooals lit. géda “schande”, vergeleken. Zie kossem.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kut. Ook meng. cutte (eng. cut). Verwantschap met kot wordt minder aannemelijk, wanneer men dat woord als een oude ontl. beschouwt: zie kot Suppl. In ieder geval blijft aansluiting bij andere, onder keuterboer Suppl. vermelde woorden mogelijk, maar alles is onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kut v., Mnl. cutte + Ndd. kut, Eng. cut, Zw. kutta: vergel. kont 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kutte (DB), zn. v.: kut, vagina; (vulg. scheldwoord) vrouw. Vroegnnl. kutte, kerte ‘cunnus’ (Kiliaan). Mnd. kutte, De. kutte, Zw. dial kutta ‘vrouwelijk schaamdeel’. Zoals Kiliaan, die verwijst naar E. cutte ‘sectura, incisura (kerf, spleet)’, vergelijkt De Tollenaere met Me. cut ‘hoer’, met dezelfde betekenisuitbreiding.

hagekutte (DB, B), hagekodde (DB), zn. v.: lichtekooi, slet, hoer op het platteland. Samenst. met kutte ‘kut, vagina’, ook als scheldwoord voor vrouwen. Vroegnnl. kutte, kerte ‘cunnus’. Westf. kutte ‘cunnus’; Mnd. kutte, De. kutte, Zw. Dial. kutta ‘vrouwelijk schaamdeel’. Vgl. Mhd. kotze ‘hoer, vagina’, Me. cut ‘hoer’. De oorspronkelijke bet. van kut is wellicht ‘spleet, kerf’, vgl. E. cut ‘snee, kerf, keep’ en het door Kiliaan vermelde synoniem kerte ‘kerf’. De var. hagekodde door verwarring met kodde ‘roede, penis’. Zie ook hagefrutte.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kut: 1) (als tweede deel van een samengesteld woord) om aan te duiden dat het om een minderwaardig persoon gaat. In studentenkringen is corpskut (vaak in de verkleinvorm) erg populair voor vrouwelijke leden van het studentencorps.

Als giechelkut is ze waarlijk outstanding. Nat van vrolijkheid, zullen we maar zeggen. (Teek, juni 2001)
Wat een omhooggevallen kunstkut, dacht ik en nam me voor dat nooit op te schrijven. (Youp van ’t Hek in NRC Handelsblad, 11/01/2003)
Sta daarna aan de bar nog een glaasje sjampoepel weg te klokken, komt opeens een blonde hockeybimbo naar me toe. Type ballenkut met paardenstaart. (Nieuwe Revu, 28/09/2005)

2) (vulgair) vervelend vrouwmens. Eigenlijk een platte term voor het vrouwelijk schaamdeel (volgens het ‘Etymologisch Woordenboek’ van J. de Vries voor het eerst rond 1570 gesignaleerd. Het zou teruggaan op het Gotische qithus, moederschoot). Hier overdrachtelijk gebruikt. Soms ook: geile kut voor een liederlijke vrouw of een hoer. Vgl. het Duitse Fotze, dat in dezelfde twee betekenissen wordt gebruikt. Ook in het Amerikaans-Engelse slang gebruikelijk. In ‘Deconstructing Harry’, een film van Woody Allen, zegt de regisseur/acteur over een vrouw: ‘She’s an aggressive, tight-arsed cunt’. Scheldwoorden zoals kut lenen zich uitstekend tot allerlei versieringen, bijvoorbeeld: kut op wielen; kut met vingers; kut met klapdeuren. Men moet hier geen diepgaande betekenis achter zoeken. De toevoegingen zijn er alleen ter versterking.

Ik heb die kut haast niets te vertellen. (Marijke Höweler, Bij ons schijnt de zon, 1983)
Geef me de lak es, kut. (Haagse Post, 28/01/1989)
Toen de mannen haar voorbij reden riepen ze joelend ‘Lekker naaien’ en ‘Geile kut’. (Jan Cremer, Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen, 1993)

3) (Delft, studententaal) Leidse kut: Leidse studente. Vermeld door Gillissen & Olden.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kut, kutje. Het voorkomen van kut in de verwensing krijg de kut! is enigszins verrassend. Als taboewoord maakt kut in onze tijd furore. Het ligt voor de hand aansluiting te zoeken bij de betekenis van kut in samenstellingen als kutding, kutkind, kutblaag, kuthoofd, kutjong, kutklote, kuttenkop, kutlul, kutbal, kutwijf en kutvent. Kut- betekent daar ‘vervelend, onaangenaam’. Krijg de kut betekent dan zoveel als ‘krijg iets onaangenaams’. Als vloek veroorzaakt kut een blikseminslag. De taboewaarde ervan is zeker voor de oudere generatie zeer hoog. Het is vaak een substituut voor de blasfemie godverdomme. Bij de jeugd heeft het daarentegen als stopwoord dezelfde betekenis als oeps (Kuitenbrouwer 1996: 86). Opvallend frequent gebruik is er de oorzaak van dat het taboeïserend effect afslijt. Versterking was ook hier nodig, en om dat te bewerkstelligen wordt de telescopische herhaling van stal gehaald: kutkutkut en kutshitshitshitshitkut. Ook aan de ziekteverwensing wordt kut ter versterking toegevoegd: kutkankertering en kutshittyfuspokkentering. Kut gebruikt men in geval van meningsverschil, tegenstelling e.d., maar zonder vijandige bedoelingen. Kut en de versterking zwaar kut geven onmacht aan, onverschilligheid, vervreemding ook. De verwensing kut met peren! heeft soms dezelfde functie als shit en drukt een negatief gevoel van ontmoediging, heftige verontwaardiging, ergernis, wrok, ongewone geprikkeldheid of agitatie uit. De uitwerking van een verwensing als ga terug in de kut van je moeder!, opgegeven door een zestienjarige scholiere uit Beverwijk, is gelijk aan de vervaarlijke klappen van een slagwerk. De opgeschroefde emotie die zij uitdrukt, wijst op absolute haat en minachting. Een merkwaardig geval is de samenstelling kutjefuckie. Het zonderlinge zit hem hier in het tweemalige gebruik van het verkleiningssuffix. De obscene betekenis, die het woord een soort onderhuidse spanning geeft, wordt door die verkleiningssuffixen volledig geneutraliseerd en er ontstaat bijna een kooswoord. De betekenis van de uitroep zal niet meer zijn dan ‘god wat erg’. In jeugdtaal komt de uitroep kutje bef! voor om ongeloof tot uitdrukking te brengen (Hoppenbrouwers 1991: 46). En ook je kan mijn kutje kussen! en je mag mijn kut kussen! zijn onder de jeugd zeer gewoon. Diezelfde jeugd verzwakt de vloek tot kutje! Een zegsman uit de Beemster attendeert mij erop, dat kudt gespeld met /dt/ deftig is. In de Volkskrant van 6 januari 1997 staat als kop boven een verslag van een journalist die zelf deelnam aan de Elfstedentocht: “Woede in ’t donker: ‘Aaah! kut tering ijs!’” Kut heeft hier duidelijk de plaats ingenomen van godverdomme. Het drukt in dit citaat dezelfde energie-explosie van woede uit als die vloek. → bef, gaan, kloot, godver(de)kut, klapkut, tochtkut, vetkut, zweetkut.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kut ‘vrouwelijk schaamdeel’ -> Duits dialect Kutte ‘vrouwelijk schaamdeel’; Frans dialect cute ‘zedeloze vrouw, prostituee’; Sarnami cut ‘vrouwelijk schaamdeel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kut* vrouwelijk schaamdeel 1563 [Claes Tw. 12]

kut* tussenwerpsel: waardeloos! 1989 [Hofkamp&Westerman]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kut, als informele uitroep: klote!; ook in de verbinding zwaar kut. Al in de jaren zestig (o.a. bij Cremer), maar toen nog beschouwd als vulgair slang. In deze betekenis dan ook vrij laat door de woordenboeken gehonoreerd. Tegenwoordig algemeen ingeburgerd.

Kut, waar blijven die twee takkewijven nou? (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)
‘Zwaar kut,’ noteerden wij uit de mond van een trouwe oranjevolgeling achter het dranghek... (De Volkskrant, 26/04/91)
Al dat jargon: ‘Kut, mijn auto is “gespinnt”.’ (Nieuwe Revu, 10/12/97)
geen —, slang voor ‘niets; geen zier’.
Ik heb me de hele film lang zitten afvragen: hoe krijg je het voor elkaar. Dat zeg ik dan later ook eerlijk: sorry, maar ik vond er geen kut aan. (Avenue, juni 1992)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal