Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lul - (mannelijk lid enz.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lul zn. ‘mannelijk lid; onaangenaam persoon; sukkel’
Vnnl. lul ‘pijpkan’ in uyt een lul laten drincken [1642; WNT], ‘mannelijk lid’ [1695; Van den Ende]. Daarnaast ook als persoonsaanduiding: vnnl. een out lulletje ‘een oude sukkel’ [1678; WNT]; nnl. een dronken lul [1712; WNT].
De huidige betekenis is overdrachtelijk ontstaan uit de oorspr. betekenis ‘pijpkan’. Dat was een kan met een zuigpijpje aan de bovenkant, om zuigelingen en zieken uit te laten drinken. Deze betekenis van lul was in de 18e eeuw al verouderd.
De verdere herkomst is onzeker. Lul ‘pijpkan’ kan een klanknabootsend woord zijn, wegens het geluid bij het drinken uit zo'n kan. Ook is verband mogelijk met het woord lullepijpe ‘soort doedelzak’ [1567; Nomenclator]. Het eerste lid in die samenstelling is vnnl. lul ‘onafgebroken basistoon’ [1573; Thes.], zoals in psalmen ende liedekens al op eenen lul gaende [1567; WNT], horend bij lullen ‘neuriën’, mnl. lollen ‘murmelend zingen en bidden’, een klanknabootsend woord, zie → lullen. In lullepijp kon vervolgens het eerste lid geherinterpreteerd worden als ‘pijpje aan de doedelzak’ en algemener ‘pijpje’, waaruit dan overdrachtelijk lul ‘pijpkan’ kan zijn ontstaan.
Uit de betekenis ‘mannelijk lid’ is die van ‘onaangenaam persoon’ ontstaan; namen van geslachtsdelen worden in het Nederlands vaker als scheldwoord gebruikt, bijv. klootzak (zie → kloot), → pik 1, → trut, enz.
lullig bn. ‘flauw, onnozel, mal’. Nnl. zo'n lullig stukkie tabak [1928; WNT Aanv.], doe niet zo lullig [1961; Van Dale]. Afleiding van lul met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lul* [penis] {1642 in de betekenis ‘pijpkan’; de betekenis ‘penis’ 1717, vgl. lullepijpe [doedelzak] 1567} oorspr. een woord voor verschillende buisvormige voorwerpen, waarschijnlijk van lollen [binnensmonds zingen e.d.], klanknabootsende vorming, door vormovereenkomst ontstond de betekenis ‘penis’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lul 2 znw. m. ‘pijp, buis; penis’, eerst na Kiliaen, vgl. echter bij hem lulpijp, lullepijpe (Holl. Sicamb. Zeel.) naast ruischpijpe, waaruit men zou kunnen afleiden een naam, die afkomstig is van het ruisen van de vloeistof door een buis (Heinsius WNT 8, 3313) en dan verband met lullen 1. Maar verband met lel is ook te overwegen en dan eig. ‘slappe buis’? — > ne. lull ‘pijp om walvisvet in een vat te laten lopen’ (sedert 1836; woord van de walvisvaarders, vgl. Bense 201).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lul II (pijp, buis, penis), nog niet bij Kil. Bij lullen (zie lol): een oudere vorm kan Kil. “lul-pijpe, lulle-pijpe. Holl. Sicamb. Zeland, j. ruisch-pijpe. Tibia utricularis” zijn: ’t bevat den stam van lullen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lul 2 v. (buis, enz), van lullen + Hgd. id. = zuigen, snappen, bepraten: onomat. synon. van lollen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

löl (zn.) 1. mannelijk lid 2. vervelende kerel; Nuinederlands lul <1695>.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lulle (DB), zn. v.: pannenkoek. Wsch. van Wvl. lullen ‘slap zijn’. Ook palulle.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lul, lul met vingers: nare vent. Bij Henke ook: sufferd, domme kerel. Lul als scheldwoord is veel ouder dan we geneigd zijn te denken. De oudste vindplaatsen in het WNT zijn de Ovidiusvertaling van Valentijn (1678) en ‘De vol-geestige Werken’ (4e druk 1712) van Rusting. Wellicht hebben we te maken met een overdrachtelijke toepassing van lul als mannelijk lid. Ook in andere talen worden namen van geslachtsdelen als scheldwoord gebruikt; denken we maar aan het Franse con en het Engelse cunt en prick. Zie verder ook kut* en kuttenkop*. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was lul nog een taboewoord. In 1965 vond men het liedje ‘Op een mooie Pinksterdag’ van Annie M.G. Schmidt veel te cru om op de radio te draaien. De zin ‘vader is een lul’ moest veranderd worden in ‘vader is een nul’. Zie ook slappe* lul. Te Rotterdam werd midden twintigste eeuw een bejaarde man die de aandacht van kinderen trok op honende wijze toegeroepen: ouwe lul, stront an je jassie.

Ik geloof zeker dat die man in alle omstandigheden weet wat hem te doen staat. In ieder geval schijnt hij geen lul te zijn zooals ikzelf. (Forum. Derde jaargang, 1934)
De meeste kinderen vinden hun vader een ouwe zak (hij durft het woord lul niet te gebruiken, want zijn krant heeft nog taboes, zegt hij). (Hitweek, 14/01/1966)
Godverdomme, zo’n grote lul als jij. (Simon Vestdijk, Het verboden bacchanaal, 1969)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lul ‘(gewestelijk) pijp; doedelzak’ -> Engels lull ‘buis waardoor walvisspek naar het scheepsruim getransporteerd wordt’; Schots † lill ‘een van de gaten in een blaasinstrument, zoals een doedelzak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lul* scheldwoord: sukkel, sul 1678 [WNT lul IV]

lul* penis 1717 [WNT lul III]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

lul: zijn — achterna lopen, voortdurend aan seks denken. Slang.

Ik heb er jaren over gedaan om los te komen van de man die ik ooit geweest ben en die voortdurend zijn lul achterna liep. (De Morgen, 20/06/87)
De plaat begint met ‘Little Head’: over wat er gebeurt als je je lul achterna loopt. (Nieuwe Revu, 25/06/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1819. Hij stond te kijken als Piet Snot,

d.w.z. hij stond er bedremmeld, beteuterd te kijken, als ‘een snyer, die zyn naald verloren heeft’, als een poelsnip, als verdomde Louis (Harreb. III, XLII), als Jan Lul (in D.H.L. 4), als Pier Snot (17de eeuw); eig. als een snottige Piet, een snotjongen, een snotolf (Tuinman I, 311). In de 17de eeuw vinden we deze zegswijze in De Wynoegst (anno 1698), 53; vgl. ook Bierh.Het Leydze Bier-huys, boertig kluchtspel door Abraham Stokhuyzen, Leiden 1758., 12: Hoe onnoozel staat hy daar als Piet snot met zyn mond vol tanden; Spaan, 160; Langendijk, Don Quichot, vs. 709: Gut, kereltje, gy zult staan kyken als Piet snot; Molema, 339: stoan as pijtsnöt; Nkr. III, 3 Oct. p. 3; Lvl. 193: Ik laat me niet voor piet snot gebruiken; Sjof. 170; Zevende Gebod, 42. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 960: staan zien gelijk Piet Snot, onnoozel staan te kijken; het Westvlaamsche: kijken lijk Liefke Snot (De Bo, 519 b); Waasch Idiot. 193: met 'nen drupneus staan, teleurgesteld zijn, bedrukt kijken; in Twente: as nen snotleppel; fri. stean for pyt-snot; joodsch: rotser, rotsjongen, rotsneus, rotslepel (Zoek. 61; 138; Ndl. Wdb. VIII, 3088), kwajongen (van rots (mhd.), snot); syn. staan te kijken als Lamme Louis (in Nw. School IV, 208Toespeling op den ‘lammen koning’ van Holland, Louis Bonaparte..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal