Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lul - (in pejoratieve samenstellingen)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lul-de-behanger, lullebehanger: onhandig persoon; klungel, kluns, stommeling. ‘’t is een echte lul-de-behanger of toch minstens zijn vervanger,’ zong Raymond van het Groenewoud in 1988. Dit scheldwoord is echter minstens een paar decennia ouder. Bedoeld wordt eigenlijk: een slechte behanger. Hier opgevat als een beroepsvermeldende eigennaam, zoals Frans de Jager; Henk de Visser. In de volkstaal heeft behanger al een tijd de betekenis van ‘prutser, knoeier’ (wellicht vanwege de trage handelingen, eigen aan dit beroep). Vgl. fietsenmaker*; koekenbakker*; kruidenier*. Een contaminatie is Jan Lul de behanger.

Die lullebehanger had nog praatjes op de koop toe. (Haring Arie, Tweede Boek, 1969)
… die lullebehangers van de politie, die luilebollen. (Bert Hiddema, Twee vliegen in één klap, 1975)
Ach welnee, lullebehanger. (Hans Plomp, Open Inrichting, nieuw Amsterdams dodenboekje, 1985)

lul-in-de-pot: onaangename, vervelende vent. In-de-pot wellicht gebruikt ter versterking, mogelijk met bijgedachte aan dood in de pot.

M’n baas was een lul in de pot, een Joris Goedbloed. (Haring Arie, Een leven aan de Amsterdamse zelfkant, 1968)
… zo’n sjieke Franse flapdrol zo’n lul-in-de-pot. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
Wat ben jij gadsamme een ontiegelijke lul in de pot. (de Volkskrant, 21/11/1992)

lulbak, lullebak, lullebakker: onaangename, vervelende vent. Naar analogie van galbak*.

Nee, niet opeten, lullebakker, alleen even vasthouden. (Hans Plomp, Huize De Slapeloze Nachten, 1971)
Lulbak! Wat doe je nou? (Hans Moll, De hoeken van de ring, 1987)
Wat kan die jongen mij nou nog schelen, lullebak! (Boudewijn Büch, De rekening, 1989)

lulganger: slappeling; vent van niks. Voor het eerst opgetekend in 1984. Naar analogie van leegganger*.

lulhannes, luljanus, lulkous: vervelend, zeurderig iemand. Er bestaat ook een werkwoord lulhannesen (o.a. terug te vinden in Pijpelijntjes, 1904, van Jacob Israël de Haan). Zie ook Stoett (nr. 447, donderjagen). Vgl. het Hebreeuwse sjmoeisjeitel (babbelkous), waarbij eveneens een eigennaam (Jeitel) als spotnaam wordt gebruikt. In Nederlandse scheldwoorden wordt ook veel gebruik gemaakt van eigennamen. Denken we maar aan samenstellingen zoals boerentrien*; hollebollegijs*; pochhans*; zeurpiet* en de talrijke verbindingen met jan-.

Weet je wat ik denk, ouwe lulhannes? (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)
Het Nederlandse Kunstschilderswezen is een samenraapsel van parasieten, jatmozen, werkschuwen, charlatans, plagiateurs, luljanussen en kwartaalzuipers. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966)
… die magere communistische lulkous met z’n linke manke been. (Dimitri Frenkel Frank, Lieve meisjes, 1982)

lulleman: vervelende babbelaar; kletsmeier*.

Kwal, zei Willems. Lulleman! (Hans Plomp, Brigadier Snuf rookt stuff, 1972)

lullemie: (Bargoens) halfzachte man; sul. Vermeld door Endt (1974), die volgend voorbeeld geeft: ‘Mot je niet es naar moeders toe, Jan? ’t Mens zit anders zo alleen.’ Na Jans vertrek: ‘Wat dat voor een lullemie is?!’ Syn.: janhen*.

lullenkop: idem als lul*. Vgl. kuttenkop*.

Die lullekoppen van Poitier en Caine… (Rijk de Gooyer, Gereformeerd, 1981)
Het zijn lullekoppen die probleemmakers, maar het blijven mensen. (de Volkskrant, 22/04/1994)

lullensmid: (soldaten- en studententaal) arts voor geslachtsziekten. Vgl. Engels: cock doctor; prick-smith; Duits: Pfeifenschmied; Pfeifenreiniger.

Trouwens hij is nog zo ontrouw als de pest ook. En altijd met van die smerige wijven waar hij wat bij oploopt. De helft van zijn verdiende geld kan hij aan de lullensmid betalen. (Jan Wolkers, Gesponnen suiker, 1963)
Ik zou maar eens naar de lullensmid gaan. (Hans Plomp, Kort geleden, 1979)

lulletje lampenkatoen, lampenpit, lampolie: sullige man. Lulletje Lampolie vinden we al terug in het werk van Boekenoogen.

Wij in het onderwijs laten ons behandelen als lulletjes lampepit? (Vrij Nederland, 11/04/1992)
Siciliaanse Godfathers zijn geen lulletjes lampepit met criminele inslag. (HP/De Tijd, 31/07/1992)

lulmeier: vervelende kletskous. Scheldwoorden zoals lulmeier en kletsmeier* werden gevormd naar analogie van het Duitse Angstmeier.

Het enige voordeel van zo’n bar vol met die lulmeiers leek me dat je met je ogen dicht iemand neer kon stompen en toch zeker wist dat je niet de verkeerde te pakken had gehad. (Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee, 2000)

slappe lul, slaplul: iemand zonder karakter; futloos persoon; slappe kerel; vent van niks. Zie ook lul* en (slappe) tinus*

Een vrouw houdt er niet van met een slappe lul om te gaan. Ik heb het vaak te horen gekregen van meisjes: jij bent een slappeling. (Johan Diepstraten & Sjoerd Kuyper, Het nieuwe proza. Interviews met jonge Nederlandse schrijvers, 1978)
Door al dat getwijfel van Johnny kun je eigenlijk maar een conclusie trekken: hij is een typisch geval van slappe lul. (One, augustus 2000)

apenlul: sufferd, stommeling. Ook gebruikt om een lelijke vent mee aan te duiden. Vgl. Duits: Affenschwanz, zowel een schimp- als een koosnaam voor een manspersoon.

Ik wil me graag scharen achter de woorden van Gerard Reve: Ivo Niehe is een plastic apelul. (Nieuwe Revu, 10/03/1993)
Zeg apelul! Waar blijft die f*cking kickstarter? (HP/De Tijd, 13/01/2006)

berenlul: man met een erg groot geslachtsorgaan. Ook voor een sufferd of onhandig persoon. Sedert begin jaren tachtig. Ter versterking wordt het woord vaak voorafgegaan door afgelikte. Vgl. apenlul*; bokkenlul*; tietjanberenlul*.

Als er begrippen als ongeschoren berenlul of rijkgeworden platenhoer op het schermpje van de mobiele telefoon van Herman zijn verschenen, dan neem ik dat klakkeloos aan. (NRC Handelsblad, 19/10/2002)

beschuitlul: halfzacht iemand; doetje*. Bekend geworden door de film ‘Amsterdamned’ (1988) van Dick Maas. Daarin scheldt Huub Stapel iemand uit voor beschuitlul. Tegenwoordig erg populair op jongerenforums op internet.

Zij krijgen terug: ‘klootzak’, ‘eikel’ en zo af en toe ‘teringlul’. Een ochtend betrapte ik mezelf op ‘beschuitlul’, maar die man leek me ook eigenlijk wel aardig. (de Volkskrant, 04/10/2004)

boeglul: iemand die voor allerlei diensten gebruikt wordt. Term uit de zeevaart. Heeft daar geen negatieve associaties maar betekent gewoon ‘de voorste man in een sloep, die de haak moet hanteren’. Hier dus overdrachtelijk gebruikt voor een duvelstoejager.

Ze wisten wel dat het fatsoen soms ver te zoeken is bij veertien-, vijftienjarigen. Toch is het even slikken. Zoals voor René Boegborn (35) die opeens over het schoolplein werd nageroepen: ‘Hé Boeglul’. Of voor Paul Absil (35) die een krijtje tegen zijn achterhoofd kreeg, terwijl hij iets op het bord stond te schrijven. ‘Dan draai je je om en heeft niemand het gedaan.’ (NRC Handelsblad, 16/06/2000)

bokkenlul: verachtelijk persoon; stommeling; sufferd. Vgl. apenlul*, beschuitlul*, hondenlul*.

Een andere bokkelul wou ook nog een knikker in de bak gooien, maar toen ze ook tegen hem uitpakte (‘Wat mot jij nou? Snoet op Dirk’) hield hij gauw z’n kiezen op elkaar. (Haring Arie, Tweede Boek, 1969)
… kom me eens helpen, bokkelul van me. (Kees van Beijnum, Dichter op de Zeedijk, 1995)
Ben je verliefd op die bokkenlul? (Grimm. Film van Alex van Warmerdam, 2003)

bucklerlul: drinker van (alcoholvrij) Bucklerbier; burgerman bij uitstek. Scheldwoord gelanceerd door Youp van ’t Hek tijdens zijn oudejaarsconference in 1989. In een veertig seconden durende act zei hij het volgende: ‘Zo’n Hollandse eikel, zo’n Buckler-lul, zo’n zoetwatersurfer, zo’n type die je ervan verdenkt dat hij zijn eigen caravan trekt, zo’n grensrechter.’ En ook nog: En: ‘Zo’n man van veertig die er vandoor gaat met een huppelflut en die na een kwartier al aan de Buckler staat: “Ja, ik moet nog vrijen”. Rot op jongen.’ De aanval die Van ’t Hek lanceerde op het merk Buckler (van brouwerij Heineken) werd door de collega’s van Jiskefet gepareerd met de zinsnede ‘Liever een krat Buckler dan Youp van ’t Hek.’ Er volgde nog een ludieke tegenactie: een paginagrote advertentie in De Telegraaf op 1 april 2000, waarbij een nieuw alcoholvrij bier Youppie werd geïntroduceerd. De cabaretier kreeg twee kratjes thuisbezorgd. Door het gebruik van het stigmatiserende woord bucklerlul zag Bavaria met zijn maltbier zijn marktaandeel overigens gigantisch groeien en wist voor zijn equivalent een megaorder van het Amerikaanse leger in de wacht te slepen tijdens de eerste Golfoorlog.

Graag drinken wij bier. Ook alcoholvrij, want soms moeten wij werken. Helaas gaat het niet zo goed met alcoholvrij bier, met name Buckler. Volgens Heineken dat Buckler op de markt brengt heeft Youp van ’t Hek, die het woord Buckler-lul toevoegde aan de Nederlandse taal, daar danig aan meegeholpen. (Nieuwe Revu, 09/06/1993)

burgerlul, burgerpik, burgertrul, burgertrut, burgerturf, burgertut: burgerlijk, conservatief persoon. In jeugdtaal ook wel verkort tot burgo*.

Ik wilde mijn verhaal doen, maar een verschrikkelijke burgertrut van ’n jaar of veertig zei met bitse stem: ‘Gaat u op de bank zitten en wacht u tot u geroepen wordt, ja!’ (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
Ik had nooit verwacht dat uw moeder zich ook tot zo’n joodse burgerturf zou ontwikkelen. (Ischa Meijer, Een rabbijn in de tropen, 1977)
Eerlijk, Nathan, je bent mijn oom, en ik waardeer je om van alles en nog wat, maar ergens ben je een ongelooflijke burgerlul met je tamme leventje en je goede manieren. (Marcel Möring, In Babylon, 1997)

dooie; dooie lul, dooie pier, dooie pierlala: saaie, stijve vent. Pierlala is de naam van een kluchtig personage, bezongen in een zeventiende-eeuws lied.

Douw je soort, dooie! (A.M. de Jong, Notities van een landstormman, 1917)
Waar ben je gistermiddag gebleven, dooie, om half twee was je nog niet op de gracht. (Theo Thijssen, Kees de jongen, 1923)
En dan komt er een dooie pier in ’n streepjesbroek, die de tent moet openen. (Jan Mens, De kleine waarheid, 1967)

fruitlul: (in Vlaanderen) homoseksueel. Misschien een variant van fluitlul, onder homo’s een benaming voor een onbesneden of dunne penis.

Waarom moet er dan ineens een nieuwe wet komen om homo’s te beschermen? Alles wat een fruitlul in officieel dienstverband moet doen, is konkelen, draaien, buigen in dienst van de sociale conventies. (Tom Lanoye, Vitriool voor gevorderden, 2004)

geitenlul: dom iemand. Vgl. geitenkut*.

Ik word altijd bloedloenig als die geitelullen altijd lopen te blèren dat hun club gewonnen heeft, nog voordat er een bal is aangeraakt. (Haring Arie, Tweede Boek, 1969)

greppellul: (jeugdtaal) ergerlijke vent; klootzak. Sedert de jaren negentig.

Greppellul, klootzak: wat een greppellul die Aalderik-Jan dat ie zomaar wegloopt. (Cor Hoppenbrouwers, Jongerentaal, 1991)

janboerenlul: sufferd, stommeling; de gewone man. Zie ook boerenlul* en Jan* Lul.

Daar blijf je, ook als je toevallig een beetje aardig kan volleyballen, een janboerenlul en spreken we de kroonprins gewoon met Willem aan. (NRC Handelsblad, 23/11/1996)
Maakt de lezer opeens kennis met de janboerenlul Giphart. (Nieuwe Revu, 07/08/2002)
Bij zo’n meidengroep is het toch niet leuk als elke Jan Boerenlul zo maar binnen kan lopen. (de Volkskrant, 07/08/1985)

droplul: 1) onhandig persoon; stommeling; wereldvreemd persoon. Wellicht een verwijzing naar iemand die geen erectie kan krijgen. Politieambtenaren gebruiken het woord dan weer in de betekenis van ‘wapenstok’.

Ik voelde me een droplul met m’n dunne benen in die geile poetties. (Haring Arie, Een leven aan de Amsterdamse zelfkant, 1968)
Dat die twee oerstomme droplullen voor de deur niks gehoord hebben, tenzij… (Arie B. Hiddema, Kif Kif, 1973)
Ga ze zelf maar smeren, droplul. (Bert Jansen, Zweedse meisjes, 1979)

2) (oorspr.marinetaal, racistisch) neger. Syn.: bimbo*.

De Bimbo’s konden nergens terecht bij de meisjes. Omdat ze eigenaardig roken en vreemde dingen van de meiden wilden. Daar moet je maar net trek in hebben, giechelden de deernen. ‘Aan zo’n knoert van een droplul in je gat!’ (Jan Cremer, Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen, 1993)

hondenlul: onbekwaam, verachtelijk persoon. Dit scheldwoord is vooral populair in de voetbalsport. Beslissingen van de scheidsrechter worden door supporters vaak onthaald op de kreet hi ha hondenlul. In de tweede helft van de vorige eeuw werd dit nog als asociaal ervaren. Piet Romeijn, de rechtsback van Feyenoord, zou volgens sommige bronnen de eerste geweest zijn die een scheidsrechter hondenlul noemde, nl. op 7 december 1969, tijdens de wedstrijd Feyenoord-FC Twente. Romeijn verdedigde zich door te zeggen dat hij ‘onbenul’ had geroepen. Een boete van 350 gulden was echter zijn deel. Toch zetten oudere vindplaatsen van dit scheldwoord die stelling op losse schroeven. Mogelijk is hondenlul afkomstig uit Delftse studentenkringen. Een vergelijkbaar invectief is hondenpiemel*. In de jeugdtaal van de jaren tachtig is ook afgelikte hondenlul niet ongewoon (vermeld door o.a. Laps).

De klucht in Delft moet voor NBB toch eindelijk een reden worden, overal voor neutrale jurering te zorgen. En ook de scheidsrechters dienen meer beschermd te worden. Het gaat te ver, zoals veel in Delft gebeurt, dat de arbiters de weinig academische gescandeerde kreet ‘scheidsrechter hondelul’ moeten aanhoren. Voor de scheidsrechters is een wedstrijd in Delft op de Technische Hogeschool dan ook weinig aantrekkelijk. (NRC Handelsblad, 06/10/1969)
‘Hondelul!’ riep een jongen, maar toen we naar hem omkeken, dook hij weg. (Simon Carmiggelt: Brood voor de vogeltjes, 1974)
En ook de tyfus, kale neet, he kankerlijer lik me reet, langharig tuig, stuk onbenul, subtiele slijmerd, hondelul. (Robert Long, Beschaafde Tango, 1977)

janlul, Jan Lul: sufferd, slappeling; onhandig persoon. Eigenlijk iemand die veel (uit zijn nek) kletst (lult) en vandaar ‘onbenullig iemand’. Lullen betekende een viertal eeuwen terug onder meer: zinloos praten. Lul had oorspronkelijk ook de betekenis van ‘pijpkan (zuigfles)’. Eind negentiende eeuw werd het woord meer en meer in verband gebracht met het mannelijk geslachtsdeel (een vergelijking met de zuigfles lag voor de hand). Heestermans (1989) vermeldt als hedendaagse varianten van dit scheldwoord: Janni kut en Janus Droplul*. Bij Van Eijk (1980, p. 105) vinden we nog: Jan Lul uit de biertuin. Bekende uitdrukkingen zijn: voor Jan Lul staan (voor gek staan; belachelijk zijn); iets voor janlul doen (te werk gaan als een onnozele; iets doen dat volkomen nutteloos is); sta daar niet voor Jan Lul (doe iets; onderneem wat). Vgl. Frans: Jean-fesse; Jean-foutre.

Akkerman, waar is je tweede paar? – Geen antwoord. – Nou! sta d’r nou niet bij als Jan Lul, je hebt ze toch niet opgevreten? (L.H. Drabbe, Het dappere Hollandsche leger. 3e druk, 1904)
Met een geweldige smoes had ze die Jan Lul zijn kleren ontfutseld. (Heere Heeresma, Geschoren schaamte, 1968)
Jan Lul stond voor de rechter/ En de rechter voor Jan Lul. (Neerlands Hoop, De ballade van Jan Lul, 1971)

kankerlul: vervelende, onaangename vent; klootzak*.

Die kankerlul, wat was hij van plan? (Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee, 2000)

klaplul: onaangename vent; sukkel, sul. Klap wordt hier gewoon gebruikt ter versterking. Het vrouwelijke equivalent is klapkut*. Ook in uitdrukkingen zoals: Blijf met je gore klaplul uit m’n buurt.

Krijg nou tieten! Wat een klaplul! (Ronald Giphart, Phileine zegt sorry, 1996)
Jezus Christus wat een ongelofelijke klaplul is dat zeg. (Nieuwe Revu, 04/06/2005)

kutlul: vervelend, onaangenaam persoon.

Hee, grote kutlul, moet ik je een handje komen helpen? (A.F.Th. van der Heyden, Onder het plaveisel het moeras, 1996)
Dacht ik eindelijk: 1-0 voor de bi’s te scoren, stond er in de krant dat het 0-0 was gebleven. Kutlul. (Nieuwe Revu, 03/03/1999)

oetlul: sufferd, kluns, stommerd. Endt (1974) denkt aan het gewestelijke woord oeteren (beuzelen, onhandig bezig zijn). Mogelijk bestaat er een verband met het Bargoense woord oets (grap).

Oetlul. Maakt karrière op de ruggen van ons mensen. (Heere Heeresma, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp, 1972)
Zegt zij ‘ach oetlul hou je bek.’ (Neerlands Hoop, Lauwe cola ouwe platen, 1973)
Oetlullen, patjakkers, bekakte kolerelijers. (Peter Andriesse, Desperado’s, 1981)

ossenlul: stommeling, sufferd. Vgl. apenlul*, hondenlul* en bokkenlul*.

Die osselul was tevreden en wij niet minder. (Haring Arie, De sarkast, 1990)

ouwe lul, ouwe sok, ouwe tor: oude man; ook: kletskous; zeurpot. Reeds bij Boekenoogen. Een synoniem is ouwe zak*. Zie ook opmerkingen onder lul*.

’k Heb geen puf opnieuw kiekeboe te gaan spele met dat stel ouwe lulletjes in Den Haag. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)
Oude, wat humeurige mensen zijn tòrre, ouwe tòrre. (J.C. Daan, Wieringer Land en Leven in de Taal, 1950)
‘Zo,’ fluisterde Jeffries hem toe, in het Engels, ‘je houdt je mond, ouwe sok, wie je ook bent, want ik maak geen flauwekul.’ (Willy van der Heide, De jacht op het koperen kanon, 1950)

pannenkoekenlul: verachtelijke vent; klootzak*.

Als ik het zeg, voel ik me een oude, conservatieve pannekoekenlul, maar ik hou mijn hart vast voor die kids van tegenwoordig. (rapper Lange Frans in Vrij Nederland, 22/10/2005)

piet lul: sul; goedzak. Een variant van janlul*.

Een echte lamme goedzak. Goedzak? Zeg maar gerust piet lul! (Jan Mens: De kleine waarheid (1967)

slappe lul, slaplul: iemand zonder karakter; futloos persoon; slappe kerel; vent van niks. Zie ook lul* en (slappe) tinus*

Een vrouw houdt er niet van met een slappe lul om te gaan. Ik heb het vaak te horen gekregen van meisjes: jij bent een slappeling. (Johan Diepstraten & Sjoerd Kuyper, Het nieuwe proza. Interviews met jonge Nederlandse schrijvers, 1978)
Door al dat getwijfel van Johnny kun je eigenlijk maar een conclusie trekken: hij is een typisch geval van slappe lul. (One, augustus 2000)

theelul: (Rotterdam) domoor. Vgl. berenlul*, beschuitlul*, bokkenlul*, hondenlul*, ossenlul*.

Theelul: sufferd. (Opoe Herfst. Samengesteld door reclame-adviesbureau Advertising Marketing + Design, Rotterdam, 1973)

tietjanberenlul: sufferd; slappeling; lafaard. Rotterdams. Een versterking van berenlul*.

Tietjanberelul: grote sufferd. (Opoe Herfst. Samengesteld door reclame-adviesbureau Advertising Marketing + Design, Rotterdam, 1973)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lul. Zeer frequent in soldatentaal is de verwensing krijg een dikke lul! Een enkele maal noteerde ik ook dikke lul drie bier! Het gaat hier om een variant van krijg een dikke fietsbel!; krijg een dikke tampeloeres! en van dikke tam(p)! Met de erectie heeft de vloek niets meer van doen. Zij drukt verontwaardiging, frustratie en irritatie uit. De betekenis van de verwensing is ‘je kunt me wat, bekijk het maar, rot maar op, ik kots van je’. Onder jongeren komt ook voor lulletje pijp! Hier is niet zozeer sprake van een verwensing, maar veeleer van een uitroep van verbazing. → dikke, duo, fietsbel, Harry, jodokio, jongeheer, rug, wat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal