Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moesjanken - (jengelen, pruilen)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moesjanken ono.w., samenst. van moezen en janken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

moesja(a)nken, moersjanken, ww.: zeuren, mopperend heen en weer draaien. Vnnl. 1599 mose-iancken, dat Kiliaan vertaalt als ‘janken aan de afvoergoot’; 1605 vervolgen ende moeshacken (WNT), 1585-1618 hy moes-janckt, claaght en bidt (Bredero). Samenst. van moezen ‘pruilen, mompelen’ en janken?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal