Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poort - (doorgang in een muur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

poort zn. ‘doorgang in een muur’
Onl. an portun ‘in de poort’ [10e eeuw; W.Ps.], porte ‘doorgang’ [ca. 1100; Will.]; mnl. Nu riet aiol uort an die porte ‘daarop reed Aiol naar de poort’ [1220-40; CG II], binder porte ‘binnen het poortgebouw’ [1268; CG I].
Ontleend aan Latijn porta ‘doorgang, poort’, een afleiding van portāre ‘dragen, transporteren, overzetten’, zie → port. Zie ook → portaal en → portiek.
Evenzo is ontleend: ohd. porza ‘doorgang’ (nhd. Pforte).
In het Middelnederlands bestond het homoniem po(o)rt ‘stad, haven’ [1236; CG I], dat via Oudfrans port ‘haven’ [1050; Rey], ‘havenstad’ [1080; Rey] ontleend is aan Latijn portus ‘haven, toevluchtsoord’, dat al vroeg een algemenere betekenis ‘stad’ kreeg, reeds Oudnederlands in het toponiem Nieuweport ‘Nieuwpoort (West-Vlaanderen)’ [1190; Gysseling 1960]. Beide woorden zijn moeilijk te onderscheiden. De betekenis ‘stad, haven’ is in onbruik geraakt, maar zie → poorter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poort [doorgang in muur] {oudnederlands porta 901-1000, middelnederlands po(o)rte, po(o)rt} oudsaksisch porta, oudhoogduits pforta, oudengels port < latijn porta [idem], verwant met portus [haven] (vgl. voorde).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poort znw. v., mnl. poorte, porte v. evenals onfrank. porta, os. porta, ohd. pforta, ofri. porte v., oe. port m. (> on. port o.) een ontlening < lat. porta; daar in het hd. de p wel, de t echter niet verschoven is, kan men de tijd dezer ontlening tussen de 6de en 8ste eeuw stellen. Het mnl. geslacht van oe. is aan verwarring met lat. portus ‘haven’ toe te schrijven, dat eveneens ontleend werd, vgl. mnl. port, poort. Na de voltooiing der nhd. klankverschuiving werd porta nogmaals ontleend als ohd. porta, mhd. porte (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 12, 101, 209).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poort znw., mnl. poorte, porte v. = onfr. porta, ohd. (frank.) pforta (nhd. pforte), os. porta, ofri. porte v., ags. port m., on. port o. “poort, deur”. Ontleend ‒ de hd. vorm blijkens de niet-verschoven t in de periode van de klankverschuiving (8. eeuw) ‒ uit lat.-rom. porta “id.”, waaruit o.a. ook fr. porte “id.”. Ohd. (opperdu.) porta (nhd. porte) v. “id.” is een jongere ontl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poort v., Mnl. poorte, Onfra., Os. porta, gelijk Hgd. pforte en Fr. porte, uit Lat. portam (-a) = deur, doorgang, van denz. wortel als varen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

poort s.nw.
1. Groot deurgang in 'n muur of ander omheining. 2. (fig.) Deurgang, toegang. 3. Deurgang tussen berge.
Uit Ndl. poort (al Mnl.). Bet. 3 kom alg. in Afr. voor, in teenstelling met Ndl. waar dit 'uit den aard der zaak' (WNT) gewoonlik net in vertaalde geografiese name voorkom. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 3 in 1779 (Scholtz 1965).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

poort (de, -en), 1. poort (gangetje) die een erf* (4) verbindt met de straat, aan de straatzijde meest afgesloten met een deur. En voor de deur van mijn poort zou ik een brievenbus hebben (Doelwijt 1971: 57). - 2. deur van poort* (1). Ik ging maar snel weg en marcheerde weer het erf* op; door de poort. Een voorbijganger was daartegen net bezig een ’biertje* te laten (Dobru 1968a: 46). - 3. hek(je) dat geopend en gesloten kan worden, bijv. tuinhek. Kom binnen, doe die poort netjes dicht. Kijk naar mijn tuin, zie je? (Rappa 1980: 66). - Etym.: De bet. 1 en 2 vallen binnen de meer alg. bet. van AN ’poort’: vrij grote doorgang in een muur of omheining; gangetje naast een huis of tussen twee huizen. - Syn. van 1 en 2 negerpoort*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poort: deurgang tussen berge; Ndl. poort (Mnl. po(o)rte) wsk. via Fr. porte uit Lat. porta – in Ndl. “deurgang d. muur van gebou of stad, tussen huise”, ens., vlgs. Scho (TWK/NR 7, 2, p. 20) kom Ndl. poort in Afr. bet. “net in vertaalde geografiese name voor”, hierby verder Afr. vb. by Lic en Wik.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

poort 'haven, stad respectievelijk in- of toegang'
Onl. port, mnl. port 'haven, stapelplaats, stad', via ofra. port 'haven, havenstad' ontleend aan lat. portus '(zee)haven, toevluchtsoord, stad', dat zich vanaf de 12e eeuw uitsluitend in het westelijk Middelnederlands en Laatoudengels ontwikkelde tot de betekenis 'stad'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1200 kopie 1308 Portfliet (→ Poortvliet)1 en 1334 Nuweport (→ Nieuwpoort1)2. Een ander poort is onl. porte 'in- of toegang, stadspoort', dat teruggaat op lat. porta 'doorgang, poort', als in → Boschpoort, → Brusselsepoort, → Diezerpoort, etc. en, refererend aan de rand van een gebied, in moderne wijknamen als → Almere_Poort, →Maaspoort en → Snellerpoort. De afgelopen decennia regelmatig gebruikt in namen voor bedrijventerreinen.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 291, 2Smit 1924v VII 50.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

poort ‘doorgang in muur’ (Latijn porta)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Poort, van ’t Lat. porta = deur. Portus was in ’t Lat. haven en bij uitbreiding stapelplaats, stad. Vandaar ons Mnl. „poort” = stad en hiervan poorter = stadsburger.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poort ‘doorgang in muur’ -> Deens port ‘doorgang in muur’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch port ‘opening waarin de mond van het geschut ligt’; Zuid-Afrikaans-Engels poort ‘bergpas’ <via Afrikaans>; Negerhollands poort ‘doorgang in muur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poort doorgang in muur 0901-1000 [WPs] <Latijn

poort verbinding met de centrale verwerkingseenheid 1981 [Mini/micro computer okt. 9, 20] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal