Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruig - (borstelig, stekelig; onstuimig, wild)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruig bn. ‘borstelig, stekelig; onstuimig, wild’
Mnl. ruuch, rughe in rugher Euenen (genitief) ‘evene, schrale haver (Avena strigosa)’ [1292; VMNW], voghelen ruuch ter mart brenghen ‘vogels ongeplukt (in ruige staat) op de markt brengen’ [ca. 1420; MNW], ruych leder ‘ruw leer’ [1437; MNW verdingen].
Nevenvorm van ruw die oorspr. alleen in de nominatief moet zijn voorgekomen, maar al in de vroegste attestatie in een verbogen naamval optreedt. Zie → ruw voor de verhouding tussen beide woorden.

ruw bn. ‘onbewerkt, ruig; globaal’
Onl. ru ‘ruig, woest’ in het toponiem Ruvene ‘Ruiven (voormalig dorp bij Pijnacker, Zuid-Holland)’, letterlijk ‘woest veenland’ [12e eeuw; Künzel]; mnl. ru ‘ruigharig’ [1240; Bern.], ‘grof, onbewerkt’ in Die cleeder moste dragen ru Met langen loken ‘die moest nu grove kleding met lange plukken dragen’ [1265-70; VMNW], rouwer euenen (genitief) ‘evene, schrale haver (Avena strigosa)’ [1279; VMNW], ruwer Evene ‘id.’ [1283; VMNW].
Mnd. rūch, ; ohd. rūh (nhd. rau, naast Rauch in de samenstellingen Rauchware, -werk ‘pelswerk, bontwerk’); nfri. rûch; oe. rūh (ne. rough); < pgm. *rūha-. Hiervan afgeleid zijn de zn.: os. rūwī ‘ruw dons’; mhd. riuhe, rūhe ‘pelswerk’; oe. rūwa, rȳ(h)e, rēowe ‘deken, kleed’; on. rȳ ‘wollen kleed’ (nzw. rya ‘kleed(je)’); < pgm. *rūhīn-, *rūhjōn-. Laps rauka ‘schapenpels’ is een Germaanse ontlening van vóór de Germaanse klankverschuiving.
Er zijn geen zeker verwante woorden buiten het Germaans. Mogelijk is pgm. *rūh- afgeleid van de wortel pie. *reuH-, *ruH- ‘afscheuren, afrukken’ (LIV 510), zie → ruin. Men zou ook uit kunnen gaan van een wortel pie. *(H)reu(H)k-, en dan is misschien Sanskrit rūkṣá- ‘ruw, dor’ verwant. Verband met Latijn rūga ‘rimpel’ en Litouws raũkas ‘id.’ (waarbij raũkti ‘rimpelen’) is twijfelachtig.
Proto-Germaans *-h in de auslaut bleef in het Nederlands bewaard, wat leidde tot een nominatief mnl. ruuch, het huidige → ruig. In de verbogen vormen verdween de intervocalische -h-, leidend tot ruwe, rouwe, waarbij de -w- als overgangsklank tussen de klinkers is ingevoegd. Hierbij ontstond een nieuwe nominatiefvorm ru, later naar analogie van de verbogen vormen ruw. De twee woorden mnl. ruuch (nnl. ruig) en ru(we)/rouwe (nnl. ruw) bestonden in het Middelnederlands naast elkaar en hebben zich al vroeg onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. Tegenwoordig verwijst ruig meestal meer naar een uiterlijke vorm, bijv. ruig haar (borstelig), ruig terrein (begroeid met wild gewas), terwijl ruw meer een intrinsieke eigenschap aangeeft: ruw hout, ruwe olie (onbewerkt), ruwe handen (niet glad aanvoelend), ruwe schatting (niet nauwkeurig), ruw weer (onstuimig), ruwe taal (onbeschaafd).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruig* [ruw] {ruuch, ruych 1292} middelnederduits, oudhoogduits, oudengels rūh, oudnoors [deken]; buiten het germ. latijn runcare [wieden], middelwelsh rhwgn [wrijven, kerven], oudindisch rūkṣa- [ruw].

ruw* [ruig] {in de vroegere Zuid-Hollandse gebiedsnaam Ruvene 1199, ru(w) 1201-1250} uit de verbogen nv. van ruig waarin de consonant wegviel en werd vervangen door w als overgangsklank.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruig bnw., mnl. ruuch naast , rou, beide uit germ. *rūha, waarvan de eerste vorm de klankwettige nominatief, de tweede uit de verbogen naamvallen, waarin tussen de klinkers h is weggevallen. De vorm ruig is ontstaan naar het voorbeeld van woorden als hooch: hoog. mnd. , rūch, rūw, ohd. rūh (nhd. rauh), oe. rūh (gen. rūges met g evenals nnl. ruig; ne. rough). Hiernaast het znw. os. rūwi ‘hispida lanugo’, mhd. riuhe, rūhe ‘pelswerk’, oe. rūwa m. (w is overgangsklank na wegval van h) en rȳhæ, rȳe, rēowe v. ‘deken, kleed’, on. rȳ v. ‘wollen kleed’ (< germ. *rūhwiōn). — lat. runco ‘wieden’, runcina ‘schaaf’, gr. rukánē ‘schaaf’, oi. rūksa ‘ruw’, oiers rucht ‘varken’, lit. raukiù, raukti ‘rimpelen’ van de idg. wt. *reuk, afl. van *reu waarvoor zie: rooien 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruig bnw., mnl. ruuch “ruig, ruw” is de klankwettige nominatief van den stam *rûχa-, terwijl mnl. (rou) “id.” (nnl. ruw, rouw) bij de verbogen casus met klankwettigen wegval van h< χ en met w als overgangsconsonant is gevormd. De g van de verbogen casus kwam op naar analogie van stammen op -ʒa-, waarvan de nomin. enk. met χ, de andere casus met ʒ gesproken werden; vgl. hoog. = ohd. rûh (nhd. rauh), mnd. , rûch, rûw, ags. rûh (gen. rûges e.dgl. vormen zijn als de ndl. vormen met g te beoordeelen; eng. rough) “id.”. Hierbij de substantiva mhd. riuhe, rûhe v. “pelswerk” (= ags. rŷe), os. rûwi v. “(hispida) lanugo”, ags. rûwa m. (de w is overgangsconsonant na den h-wegval) en rŷhæ, rŷe (verbogen rêon), rêowe v. “deken, kleed”, on. v. “id.”. Het is niet noodig χw inplaats van χ aan te nemen. Mogelijk is χw echter wel. Met gramm. wechsel os. rûgi v. “ruig vel, deken”. Verwant zijn lit. raukiù, raũkti “rimpelen”, oi. rûkṣâ- “ruw, dor, wrevelig”; sommigen combineeren hiermee nog ier. rucht “varken”, rukánē “schaaf”, lat. runco “ik wied”, oi. lun͂-cati “hij rukt uit, plukt uit, pelt”; zie echter rukken. Got. inrauhtjan “toornen” is mogelijk met de oorspr. bet. “ruw zijn” (niet “ ’t voorhoofd rimpelen”) met ruig enz. verwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruw, ruig bijv., Mnl. ru, ruuch + Ohd. rûh (Mhd. rûch, Nhd. rauh en rauch in rauchwerk), Ags. rúh (Eng. rough), Zw. rugg, De. ru + Skr. rūkṣas = ruw, Lit. rauka = plooi, vouw. - Ruw, met bijvorm rouw, ontstond uit de verbogen naamvallen, waar h tusschen twee klinkers moest wegvallen; ruig (eig. ruich waarvan de ch door analogie als g werd opgevat) is de onverbogen vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ruig, zn.: schurft (van honden). Zelfstandig gebruik van bn. ruig ‘ruw, harig’. Vgl. D. Räude ‘schurft bij huisdieren’, Mnl. rude ‘schurft’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ruig, zn.: schurft (van honden). Zelfstandig gebruik van bn. ruig ‘ruw, harig’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

ruug, ruig, roeg, roeë bn.: ruig, ruw, oneffen, verward. Mnl. ruuch ‘ruig, harig, ruw, grof’, Vnnl. ruych, ruygh, ruydigh ‘ruw’ (Kiliaan). Ohd. rûh, Mhd. rûch, rûhe, , rouch, Mnd. rûch, , rûwe, Oe. rûh, E. rough ‘ruw, grof’ < Wgerm. *rûhwa-. < Idg. *reuk-, rûk- ‘plukken, uittrekken’ uit Idg. wortel *reu- ‘uittrekken’. De Ndl. vorm ruw is zoals de Zeeuwse roeë te verklaren uit de verbogen vorm, waarbij de intervocalische consonant wegviel. In het Ndl. werd het hiaat opgevuld door de glijder w. Zo bestond in het Duits tot in de 19de e. de variant rauch ‘behaard’, naast rauh (vgl. hoch/hohe). Samenst. ruugboender ‘ruwe borstel; ruwe kerel’, ruugrok ‘ruwe klant, onbehouwen kerel’, ruugvoet.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ruig b.nw.
1. Dig begroei, woes. 2. Harig, stekelrig. 3. (t.o.v. stowwe en kledingstukke) Grof, hard.
Uit Ndl. ruig (Mnl. ruuch, ruych).
D. rauh, Eng. rough.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ruig: digbegroei; harig; woes; Ndl. ruig, v. verder rou III.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ruig ‘opwindend’ (bet. van Engels rough)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruig ‘ruw’ -> Duits dialect rüg ‘ongeregeld, ongelijk, onregelmatig geploegd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruig* ruw 1292 [CG I3, 1786]

ruw* ruig 1199 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal