Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rune - (Oudgermaans schriftteken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rune zn. ‘Oudgermaans schriftteken’
Nnl. de Runsteenen, die men in Sweeden met Gothische Opschriften getekend vindt [1782; iWNT], het zweedsche runa, ... De regtlijnige letters [die] bij ons runische letters, of eenvoudiglijk runen, heeten [1807; Weiland ruin].
In het kader van de groeiende belangstelling voor de Oudgermaanse cultuur aan het eind van de 18e eeuw ontleend aan Duits rune ‘rune’, dat is overgenomen uit Oudnoords rún ‘schriftteken, rune’.
On. rún betekende daarnaast ook ‘toverspreuk, geheim’. Hierbij horen verder: os. rūna ‘vertrouwelijk gesprek, raad’; ohd. rūna ‘id.’, giruni ‘geheim’; oe. rūn ‘mysterie, geheim, toverspreuk, rune’; got. runa ‘mysterie; plan; raad’; < pgm. *rūnō-. Vermoedelijk is Fins runo ‘lied’ aan het Germaans ontleend, zij het met onverwachte korte klinker.
Hierbij hoort ook het werkwoord pgm. *rūnōn- ‘fluisteren’, waaruit: onl. rūnon (rundon ‘zij fluisterden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. runen [1240; Bern.]); os. rūnōn; ohd. rūnōn (nhd. raunen); nfri. reauntsje; oe. runian (me. rounen, vne. round); alle ‘fluisteren’; en on. rýna ‘een vertrouwelijk gesprek voeren; een toverspreuk met runen uitvoeren’ (nijsl. rýna ‘onderzoeken’).
Verwant met, of ontleend aan Oudiers rūn ‘geheim’, waarnaast Welsh rhin ‘id.’; < pie. *reuH-n-. Verdere etymologie onzeker. Mogelijk verwant met Latijn rūmor ‘stem van het volk, gerucht’. Verwantschap met Grieks ereĩn ‘vragen’ en Hittitisch ariyezzi ‘onderzoekt’ bij de wortel pie. *h1reh1- (LIV 251) lijkt weinig wrsch.
Morris (1985) scheidt de Oudnoordse en Oudengelse betekenis ‘runenteken’ van de overige betekenissen en leidt deze af van de wortel pie. *reuH- ‘openscheuren’ (LIV 510): runen werden in hout of steen uitgehakt. Hier is geen goede reden voor: uit Oudsaksische, Oudengelse en Oudnoordse teksten blijkt dat het runenschrift en de Oudgermaanse voor-christelijke toverkunst en waarzeggerij nauw met elkaar verbonden waren (Pierce 2003: 34-35).
Lit.: R.L. Morris (1985), “Northwest-Germanic rūn- ‘rune’. A case of homonymy with Go. rūna ‘mystery’”, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 107, 344-358; M. Pierce (2003), ‘Zur Etymologie von germ. rûna’, in: ABäG 58, 29-38; M. Philippa & A. Quak (1994), Runen: een helder alfabet uit duistere tijden, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rune [Oud-Germaans schriftteken] {1799-1811, vgl. runische letter 1723} < hoogduits Rune < oudnoors rūn [geheim, magisch teken, rune], oudsaksisch, oudhoogduits, gotisch runa, ook middelnederlands rune, ruun, ruen [geheime beraadslaging, vertrouwelijke bespreking, gefluister] {1350} vgl. grieks ereuna [het navorsen], ereō [ik ondervraag] (vgl. ruinen). Al in 1665 is de lat. vorm runae gevonden, een woord dat geput is uit de oude Scandinavische literatuur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rune [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 241 [1969].

rune znw. v., eerst in de 19de eeuw < nhd. rune en wel door de belangstelling voor oudgerm. cultuur sedert het eind van de 18de eeuw. Het woord is overgenomen uit on. rūn, dat sedert de 17de eeuw ook opnieuw in de moderne skand. talen ingang vond. — Het woord is de naam voor de runentekens, maar on. rūn betekent ook ‘geheim’, in deze bet. vgl. os. ohd. rūna ‘geheime raadpleging’, oe. rūn ‘geheim, beraadslaging, runenteken. got. rūna ‘geheim’. — Zie ook: ruinen. — In het oiers vinden wij ook rūn ‘geheim’ (misschien daaruit het germ. woord ontleend, Marstander NTS 1, 175-177, die opmerkt, dat in beide taalgroepen daarmee een goddelijke macht aangeduid wordt; mogelijk echter ook oerverwant, vgl. Krāhe, Sprache und Vorzeit 139).

Het woord is dus alleen germ.-kelt. De etymologie wordt verschillend beoordeeld. — 1. Men kan het verbinden met on. raun v. ‘poging, ondervinding’ en dan verder met gr. ereunáo ‘uitvorsen’; in dit geval zou de oorspr. bet. zijn geweest ‘de (magische) uitvorsing van goddelijke beschikkingen of van het noodlot’ (vgl. het door Tacitus Germ. c. 10 vermelde bepalen van het lot met van tekens voorziene staafjes). — 2. Samenhang met het bovengenoemde ruinen is moeilijk af te wijzen; dan moet men daaraan denken, dat de magische formules gemurmeld werden; de later gevonden runentekens kregen dan die naam, omdat zij bij bezweringen gebruikt werden. Dan dus verder te verbinden met lat. rumor ‘gerucht’ (IEW 867); de idg. klankwortel *reu betekent echter in het algemeen een krachtig geluid, zoals oi. ráuti ‘brullen’, osl. revą, rjuti ‘brullen’. — 3. Af te wijzen E. Weber, H. Arch 178, 1941, 1-6, die van de bet. ‘schriftteken’ uitgaat (dat stellig het laatste in de rij der betekenissen is) en dan verbindt met de groep van ruin: men zou dus moeten uitgaan van ‘in hout geritst teken’. — Mocht men uitgaan van een grondvorm *wrūnā (vgl. Torbiörnson, Fschr. A. Noreen 256), dan denkt G. Dumézil, Mythes et Dieux des Germains 24 aan samenhang met de godennamen oi. Varuṇa en gr. Oúranos.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rune znw. Later-nnl. uit nhd. rune v., dat in de 17. en 18. eeuw door de literaire strooming, die dweepte met ’t Germanendom, uit ’t oudere Skandin. is ontleend. Ook de. rune, zw. runa “rune” zijn uit de oude literatuur weer opgenomen. On. *rûn v., mv. rûnar “runen, letters, wetenschap, tooverformulier” = mnl. rune v. “geheim overleg” (zeldzaam; in in (met) rûne(n) ende in (met) râde), ohd. rûna v. “gefluister”, os. rûna v. “geheim gesprek”, ags. rûn v. “id., geheim, rune”, got. rûna v. “geheime bespreking, geheim besluit, geheim”. Hierbij ’t ww. mnl. rûnen (nog dial.), onfr. rûnan, ohd. rûnên (nhd. raunen), os. rûnon, ags. rûnian “fluisteren”, got. *bi-rûnan, waarvan birûnains v. “geheime aanslag”. Verwant met ier. rûn “geheim”, verder wellicht met on. raun v. “onderzoek, proef, ervaring”, reyna “onderzoeken”, gr. ereunáō “ik vorsch uit”, zonder n gr. eré(ϝ)ō “ik vraag”. Evenwel zouden mhd. rienen “jammeren, klagen”, noorw. dial. rjôna “babbelen”, die wellicht identisch zijn met ags. ge-rêonian “samen konkelen, samenzweren” — en dit zal toch wel met *rûnô- verwant zijn —, ook (met lett. runât “babbelen”) op een basis rū̌n- kunnen wijzen, verlengd uit de bij rommelen besproken basis ru-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rune. On. raun v. ‘onderzoek’, reyna ‘onderzoeken’, gr. ereunáō ‘ik vors uit’, eré(ϝ)ō ‘ik vraag’ worden veelal herleid op een andere idg. basis, die ‘vragen, onderzoeken’ zou betekenen. Deze woorden laten zich echter, door uit te gaan van een oudere bet. ‘(een geheim) door waarzegging ontraadselen’, zeer goed verenigen met de germ. woordfamilie van rune. Het schijnt in ieder geval niet gewenst de kennelijk magische bet. van deze laatste te vervlakken door ze met de bij rommelen besproken basis *rū̆- te verbinden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rune v., over Hgd. rune, uit Skand.: On. rún + Os. en Ohd. rûna, Ags. rún, Go. rûna = geheim + Gr. ereunáein = opzoeken, Oier. run = geheim, Lett. runât = spreken. Van het subst. komen Hgd. raunen, Eng. to roun = fluisteren en dial. Ndl. ruinen = morren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rune: Ogerm. skrifteken; Ndl. (eers 19e eeu) rune uit Hd. rune uit On. rūn, “geheim”, maar nog geen uitsluitsel oor herk. en ouer bet. nie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rune (Duits Rune)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rune (oud letterteeken), oorspr. was het Germ. woord runo (Got., Ohd., Os.: rund): geheim gesprek; vgl. ’t Mnl.: „Hi ruynde een luttel mit haer”; het woord diende ook ter aanduiding van de schriftteekens, waarin de priesters de geheime godspraak lazen (zie Lesen). Ook alruin, de plant, waaraan men de geheime kracht om te voorspellen toeschreef, bewaart het oude woord.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

bloed en bodem [nationaal-socialistisch begrip] (1931). In 1931 wordt de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (afgekort NSB) opgericht door Anton Mussert, naar het voorbeeld van Hitlers politieke partij, de NSDAP. De NSB heeft een geheel eigen taalgebruik, dat met name tijdens de oorlog algemeen bekend raakt. Zo heeft de partij een eigen groet, ‘Hou zee’, die voor het eerst gebruikt wordt door de politicus Cees van Geelkerken in 1933. Uit de Duitse nationaal-socialistische taal komen woorden als levensruimte, ondermens, onmens, ophitsen, en bloed en bodem. Die laatste term legt een verband tussen afstamming (bloed) en de grond/levensruimte (bodem) van een volk, en wordt hiermee een centraal begrip in het nationaal-socialisme. Ook de rangen voor de SS en de benamingen voor politieke en militaire organisaties zijn vaak directe leenvormingen uit het Duits: standaardleider, hoofdstormleider, opperschaarleider. De NSB’ers grijpen graag terug op het Germaanse verleden, waardoor woorden als joelfeest, midwinterwende, runen en wiking veelvuldig gebruikt worden. Bonze of bons is een scheldwoord voor een sociaal-democratische partijfunctionaris. Het woord roddelen, voor ‘kwaadspreken’, (opvallend genoeg een Jiddisch woord) is in NSB-kringen zeer populair.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rune Oudgermaans schriftteken 1799-1811 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal