Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schaal - (peilschaal, loonschaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schaal 2 zn. ‘maatstaf’
Nnl. op een groote schaal ‘met grote omvang’ [1823; iWNT], schaal ‘maatstaf’ [1864; iWNT].
Ontleend aan Duits Skala [18e eeuw; Kluge] of Engels scale [1626; BDE], beide ‘maatstaf’. Zowel Duits als Engels hebben het woord ontleend aan hetzij Italiaans scala ‘trap, ladder’ [eind 13e eeuw; DELI], hetzij direct aan Latijn scālae ‘trap(treden), ladder’, eigenlijk mv. van scāla (< *scand-s-la, zie → scala), dat is afgeleid van het ww. scandere ‘klimmen, bestijgen’, zie → scanderen.
De betekenis ‘maatstaf met streepjes’ heeft zich vanwege vormovereenkomst ontwikkeld uit de oorspronkelijke betekenis ‘trap, ladder’. In het Middelnederlands is uit het Latijn geleend scale ‘trap, ladder’ [ca. 1483; MNW], maar dit woord was na de middeleeuwen verdwenen uit het Nederlands. De betekenisontwikkeling van ‘trap’ naar ‘maatstaf’ heeft dus niet plaatsgevonden binnen het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schaal1 [peilschaal, loonschaal] {schale [trap, ladder, graad] ca. 1483} < latijn scala [trap, ladder] (vgl. scala). De Schaal van Richter [die de zwaarte van aardbevingen uitdrukt] is genoemd naar de ontwerper, de Amerikaanse seismoloog Charles Richter (1900-1985).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schaal 3 znw. v. (schaal van thermometer, peilschaal, toonschaal), laat-mnl. een scāle, een lēdere ‘scala’ < lat. scāla ‘trap, ladder’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schaal II (schaal van thermometer e.dgl., peilschaal, toonschaal), laat-mnl. “een scale, een ledere, scala”. Uit lat. scala (gew. mv.) “trap, ladder”, dat ook elders ontleend is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schaal 1 v. (op een teekening, - in de muziek) , uit Lat. scalam (-a, d.i. *scandsla) = ladder, een afleid. van scandere = klimmen + Skr. wrt. skand = springen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skaal s.nw.
1. Lyn wat in mate verdeel is, dikw. op iets soos 'n kaart, in 'n bepaalde verhouding tot die werklikheid. 2. (musiek) Toonleer. 3. Statistiek vir die vasstel van pryse, salarisse, ens.
Uit Ndl. schaal (1830 - 1835 in bet. 1, 1885 - 1886 in bet. 2, 1909 in bet. 3), of in bet. 3 mntl. uit Eng. scale (1780). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Skala (18de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schaal (van een teekening, kaart, enz.) van ’t Lat. scala = ladder. Zulk een schaal heeft op sommige kaarten den vorm van een ladder. Ook toonschaal = toonladder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schaal ‘maatstaf voor verhouding’ -> Noord-Sotho sekala ‘maatstaf voor verhouding’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana sekalê ‘maatstaf voor verhouding’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa sikali ‘maatstaf voor verhouding’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe sikali ‘maatstaf voor verhouding’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho sekala ‘maatstaf voor verhouding’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch sekal, skala ‘maatstaf voor verhouding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schaal maatstaf voor verhouding 1864 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1971. Op groote (breede, ruime) schaal,

d.i. in het groot, uitvoerig en niet kleingeestig; ook: in menigteNdl. Wdb. III, 1174; V, 1068.. Het znw. schaal beteekent in deze uitdr. eig. ladder (lat. scalaIn dezen zin opgeteekend bij Halma i.v. échelle; schaal, meetlijn voor de gebouwen en landkaarten.); vandaar opklimmende of dalende reeks (vgl. toonladder, toonschaal); ‘lijn, die in eenige gelijke deelen verdeeld is, welke strepen, meters, roeden, graden, mijlen enz. voorstellen, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de betrekking der afstanden en hoegrootheden op de kaart ons aangewezen, met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden’ (Van Dale); vandaar dat op groote schaal de beteekenis aanneemt van in groote verhouding, in groote afmetingen, in 't groot. Ook in het fr. zegt men faire quelque chose sur une grande (large, vaste) échelle; eng. on a large scale.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal