Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schoot - (kledingstuk, deel van lichaam; lijn op een zeilschip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schoot 1 zn. ‘deel van het lichaam; afhangend deel van kledingstuk’
Onl. skōta ‘punt, gebied’ in toponiemen, waarin het, gezien de ligging van de betreffende plaatsen, meer in het bijzonder ‘hoger gelegen stuk zandgrond, uitspringend in het laagland’ betekent: Hoccascaute ‘Hoksent (Limburg BE)’ [710, kopie 1191; Gysseling 1960], Hengistscoto ‘Henschoten (Utrecht)’ [777, kopie 1091-1100; Künzel], ‘schoot’ in (met verhoogduitste spelling) In abrahames scoze ‘in Abrahams schoot’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. schoet ‘schoot, ronding’ [1240; Bern.], sc(h)oot, in so wuort hi enslapen in uoren scote ‘dan zal hij gaan slapen in haar schoot’ [1270-90; VMNW], scootlakene ‘schorten, servetten’ [1302; MNW schootlaken], scootclederen ‘schorten’ [1341; MNW schootcleet], ‘deel van het harnas dat het onderste deel van de romp beschermt’ in twee pansers ende een scoot [1438; MNW], schoit ‘slip, pand van een kledingstuk’ [1477; Teuth.]; vnnl. Eenen ... lynen voorschoot ‘een linnen voorschoot’ [16e eeuw; MNW].
Uit de betekenissen in de andere Germaanse talen (zie onder) blijkt dat de oorspr. betekenis wrsch. ‘rand’ of ‘punt, hoek’ is, waarmee het woord met ablaut in verband gebracht kan worden met de wortel van → schieten: een rand als uitstekend, uitschietend object. Hieruit is via ‘hoek tussen romp en bovenbenen’ de Noord- en West-Germaanse betekenis ‘onderlijf van een zittend persoon’ te verklaren, in het bijzonder de ‘moederschoot’, vanwaaruit een nieuwe overdrachtelijke betekenis ‘beschermde, geborgen plaats’ kon ontstaan, zoals in de schoot der aarde ‘rustplaats van een overledene’, Gods schoot, de schoot van de kerk. Deze blijft meestal beperkt tot formeel, literair of bijbels taalgebruik. De oorspr. betekenis ‘punt, rand’ werd anderzijds in alle Germaanse talen toegepast op kleding. Bij uitbreiding ontstond de betekenis ‘pand, slip van een kledingstuk, lap’. Onder invloed van schoot ‘lichaamsdeel’ ontstonden hierbij in het Middelnederlands, Middelhoogduits en Middelnederduits de betekenissen ‘deel van het harnas of kledingstuk dat het onderlichaam bedekt’ en ‘schort’. Men (o.a. NEW) stelt ook wel een omgekeerde ontwikkeling voor: ‘slip van een kledingstuk’ > ‘kledingstuk dat het onderlichaam bedekt’ > ‘schoot’, maar daar zijn geen goede aanwijzingen voor (Kluge): schoot als lichaamsdeel is geografisch wijder verbreid en heeft bovendien van oudsher betrekking op zittende personen.
Mnd. schōt ‘schoot; pand, slip’; ohd. scōza, scōz ‘id.’ (nhd. Schoß); ofri. scāt ‘id.’; oe. scēat ‘punt, gebied; schoot; doek’; on. skaut ‘punt; slip; schoot; hoofddoek; schoot van een zeil’ (nzw. sköt; sköte ‘schoot, onderlijf’); got. skaut ‘rand, zoom van een kledingstuk’; < pgm. *skauta-. In combinatie met telwoorden betekent het woord ‘punt, rand’: ohd. drīscōz ‘driehoekig’, fiorscōz ‘vierkant’; oe. þriscyte ‘driehoekig’; on. þrískeyta ‘driehoek’. Ontleningen aan het Germaans zijn o.a.: Oudrussisch skutŭ ‘lap’ (Russisch dial. skúty mv. ‘beenwarmers’), Bulgaars skut ‘schoot’, Spaans escote ‘decolleté, halsuitsnijding’.
Uit de afleiding pgm. *skaut-jō- ontstond oe. scīete, scēte ‘doek’, waaruit ne. sheet ‘doek; blad; plaat’.
Voor schoot als zeilterm, zie → schoot 2. Verder komt schoot in het Middelnederlands nog voor in betekenissen die eigen zijn aan → schot 1 en → schot 2, wrsch. door generalisatie van de gerekte -o- in de verbogen naamvallen schote, schoten van deze woorden. Bekend is nu vooral nog schoot ‘de uitspringende grendel van een deurslot’.

schoot 2 zn. ‘lijn waarmee een zeil wordt vastgezet’
Vnnl. de schoot vieren [1567; Nomenclator, 253b].
Hetzelfde woord als → schoot 1. Vanuit de oorspr. betekenis ‘punt, rand’, i.h.b. ‘hoek van een doek’ kon via ‘hoek van een zeildoek’ bij uitbreiding de betekenis ‘lijn aan de hoek van een zeildoek’ ontstaan.
Mnd. schote (vanwaar door ontlening nhd. Schot(e)); oe. sceāta (ne. sheet); on. skaut (nzw. sköt); alle ‘schoot van een zeil’ (oe. alleen ‘hoek van een zeil’, < pgm. *skaut-jō-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schoot1* [lijn die onderaan de buitenkant van de zeilboom aangrijpt om de stand ervan te regelen] {1602} wel verkort uit schootlijn, waarbij ‘schoot’ hetzelfde woord is als schoot3 [schoot van een kleed].

schoot3* [kledingstuk, deel van lichaam] {in de plaatsnaam Hengistscoto, nu Henschoten (Utrecht) <777>, schoot [pand of slip, deel van lichaam, zeeboezem] 1290} oudhoogduits scozo, scoza, oudengels sceat, oudnoors skaut [zoom van kleed], gotisch skauts [idem]; behoort bij schieten, mogelijk in de betekenis ‘scheef toelopen’. De oorspr. betekenis zou kunnen zijn ‘driehoekig’. Hierop wijst ook het oudste voorkomen van het woord, namelijk in plaatsnamen ter aanduiding van een ‘hoge hoek lands uitspringend in lager liggend gebied’. Vgl. ook nederlands voorschoot [driehoekig schort].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schoot znw. m., mnl. scoot m. ‘pand, schoot van een kleed, deel van de wapenrusting, moederschoot, zeeboezem’, mnd. schōt m. ‘pand, deel van de wapenrusting, gremium, rivierbed, zeeboezem, achterste deel van de kerk’, ohd. scōʒ m. (nhd. schoss), ook scōʒo m., scōʒa v. ‘pand van kleed, schoot’, ofri. skāt m. ‘pand, schoot van een kleed’, oe. scēat m. ‘hoek, streek, vooruitstekende berg, schoot, kleed’ (waarvan scīete v. ‘lap goed’ = ne. sheet), on. skaut o. ‘punt, hoek, schoot, hoofddoek’, got. skauts m.? of skaut o.? ‘zoom’. — Men moet uitgaan van ‘iets, dat naar voren uitsteekt’ en dan kan men het woord verbinden met de groep van schieten.

De bet. van ‘punt’ vertoont ook nog ohd. drīscōʒ ‘driehoekig’. Got. skauts bet. ‘zoom’ en dus ook de rand van het kledingstuk. Bij de verandering van de dracht, kon schoot verschillende delen van het kleed aanduiden: later ging het over op het deel van het lichaam, dat met de schoot bedekt werd. — De bet. ‘touw aan de benedenhoek van het zeil’, ook mnd. schōte komt uit die van ‘onderkant van het zeil’ zoals oe. scēata m. en on. skaut, dat zelf nog de algemene bet. van ‘hoek’ heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schoot znw., mnl. scoot m. (scôte v.) “pand van een kleed, schoot van een kleed, deel van de wapenrusting, schoot (gremium), moederschoot, zeeboezem”. = ohd. scôʒ m. (nhd. schoss; ook ohd. scôʒo m., scôʒa v.) “pand van een kleed, schoot”, mnd. schôt m. “pand, deel van de wapenrusting, gremium, rivierbed, zeeboezem, achterste deel van de kerk”, ofri. skât m. “pand, schoot van een kleed”, ags. scêat m. “hoek, streek, vooruitstekende berg, schoot, kleed” (waarvan scîete v. “lap goed”, eng. sheet), on. skaut o. “punt, hoek, schoot, hoofddoek”, got. skauts m. (?, skaut o.?) “zoom”. De oorspr. bet. was wsch. “uitstekend gedeelte”. De combinatie met schieten, dat van ouds niet “naar voren schieten, uitsteken”, maar “snel bewegen, werpen” beteekende, is semantisch niet wsch. Ook onzeker is de combinatie met lat. cauda “staart”, lit. kȕ̃̃das “kuif”. Schoot “touw aan den benedenhoek van een zeil”, bij Kil. reeds in schoot vieren, mnd. schôte “schoot” is ’t zelfde woord resp. een hierbij hoorende n-stam. Oorspr. beteekende het evenals ags. scêata m. (ook “hoek” in ’t algemeen) en on. skaut o. “benedenhoek van een zeil”; ags. scêat-lîne v. = “schoot” (eng. sheet “id.”). Misschien is schoot uit een dgl. samenst. verkort; of hebben we met een dgl. overdr. bet. te doen als bij hals als naam van een touw?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schoot 1 m. (touw), + Ags. scéata (Eng. sheet), On. skaut = benedenhoek van een zeil, dus hetz. w. als schoot 3.; dan is schoot in de bet. van touw verkort uit een samenst. als schootlijn. Uit Germ. Fr. écoute.

schoot 3 m. (boezem, enz.), Mnl. scoot + Ohd. scôʒ (Mhd. schôʒ, Nhd. schosz), Ags. scéat (Eng. sheet), Ofri. skát, On. skaut (Zw. sköte, De. skjød), Go. skauts = zoom, sleep van het kleed, schoot; eigenlijk wat uitspringt: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjoet (zn.) schoot; Aajdnederlands skota <777>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjoet schop, ovenpaal (Limburg). = mndd. schute ‘schop’. Afl. van schieten; men spreekt immers van het brood in de oven schieten en in de buurt zegt men voor ovenpaal ook scheut en scheuter en scheutel. Verder dus ~ schot en schoot.
Rh Wb VII 1952, BMDC XLII kaart, Veldeke 1992, 20, Crompvoets 195 (ziet ten onrechte identiciteit met schuit).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skoot I: baarmoeder (vgl. moederskoot); ruimte tussen bo- en onderlyf v. sittende pers., kleed wat dié deel v. liggaam bedek (vgl. skoothondjie, voorskoot), rusplek (almal ook fig.); Ndl. schoot (Mnl. scoot), Hd. schoss, Got. skauts, wsk. verw. aan Eng. sheet, herk. hoërop onseker.

skot II [+]: tou waarmee seil v. seilskepe na wens verbind word, nog in verbg. skiet/skot gee = Ndl. den schoot vieren; Ndl. schoot (Mnl. schōte) hou wsk. verb. m. Ndl. schieten (v. skot I) en m. Eng. sheet.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

schoot 'hoek hoger land uitspringend in het terrein'
In toponiemen: onl. scôta, scote, ofri. scâta, oe. sceat 'vooruitspringend stuk land, hoek land, toelopende punt' < germ. *skauta 'iets dat naar voren steekt, rand, zoom, hoek, punt'. Daarnaast mnl. scoot 'pand van een kleed, schoot', ofri. skât, mnd. schôt, ohd. scôz, mhd. schôz, nhd. Schoss, alle met vergelijkbare betekenissen, ono. skaut 'punt, hoek, schoot, hoofddoek'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 777 kopie 11e eeuw Hengistscota (→ Henschoten)1, 805 en 806 kopie 10e eeuw Berugtanscotan, Bertanscotan (ligging onbekend, bij Doornspijk, Gl)2. Het verdwenen toponiem Drinschoten, 1085 vervalst ca. 1200 Trenscoten (ligging onbekend, bij Baarn, U)3 komt qua betekenis overeen met oe. þriscyte, ono. þrískeyta 'driehoekig, driehoek'.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 174, 2Idem 86, 3Idem 119.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schoot (voorschoot, boezelaar), van schieten: uitschieten, afhangend deel van een kleedingstuk. Bij uitbreiding de plaats, waar het kleedingstuk gedragen wordt; bijv. op den „schoot” zitten: dus op ’t kleedingstuk, later ook op de plaats ervan (op de knie). – Ook de scheepsterm schoot (zie Ruimschoots) behoort hierbij: het is nl. het touw, dat in den ondersten hoek van het zeil is vastgemaakt en dat dient om het zeil te spannen in tegenstelling met het bovenste, dat hals heet (de schoot of knie is beneden, de hals boven); vandaar den schoot (touw) vieren. Schootgaan van den vlieger zal – volgens dr. Stoett – oorspr. geluid hebben: te schote gaan, d.i. gaan (schieten).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schoot ‘deel van lichaam’ -> Frans dialect hō, chô ‘deel van lichaam’; Negerhollands skoot, skot ‘deel van lichaam’; Papiaments skochi ‘deel van lichaam’.

schoot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ -> Engels sheet, ook: shoot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’; Duits Schote ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (s)kuuti ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Ests soot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’; Frans écoute ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ Frankisch; Italiaans scotta ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Spaans escota ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Portugees escota ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Baskisch eskota ‘tuigage van een vissersboot’ ; Bretons skoud ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Russisch škot, škut ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’; Bulgaars škot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Oekraïens škut ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Azeri şkot ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Litouws šotas ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’; Grieks skota ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Esperanto ŝkoto ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Arabisch (Egyptisch) 'ashkūtā, ishkūtā ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’ ; Rotinees isikòk, tali-isikòk ‘touw waarmee de stand van de zeilen geregeld kan worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schoot* lijn die onderaan de buitenkant van de zeilboom aangrijpt om de stand ervan te regelen 1567 [Junius 253a-b]

schoot* deel van lichaam 0777 [Claes]

schoot* kledingstuk 1440 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

40. In Abrahams schoot zitten.

Dit wordt gezegd van iemand, die een rustig, aangenaam leven leidt, of eene kostelijke plaats heeft; bij de militairen eene veilige plaats tijdens een gevecht, een veldslag, bij de manoeuvres (ook in het hd.). De uitdrukking is ontleend aan den bijbel en wel aan Lucas XVI:19-31, bepaaldelijk vs. 22-23. Zeeman, bl. 33, deelt aangaande den oorsprong het volgende mede: ‘De uitdrukking is ontleend aan de gewoonte der Oosterlingen, om bij den maaltijd aan te liggen op rustbanken, waarbij het hoofd des eenen rustte tegen den boezem, om zoo te spreken in den schoot van den anderen gast; zoo lag de discipel, dien Jezus liefhad, in zijn schoot volgens Joh. 13:23; er wordt door aangeduid de plaats, welke innige vertrouwelijkheid, hartelijke genegenheid verleent, zooals ook bij de Romeinen esse in sinu amplexuque. Daar nu Abraham de hooggeëerde en geliefde stamvader was, die na zijn dood in het paradijs was opgenomen, werd de plaats aan het hemelsche gastmaal naast hem als de schoonste eereplaats beschouwd, zooals in het algemeen het aanzitten met of ook het aanliggen in den schoot van Abraham, Izaäk en Jacob voor de grootste eer, het hoogste genot in het toekomstige leven werd gehouden. Van daar dat ook in de taal van ons volk met die uitdrukking een rustig, genoegelijk leven wordt aangeduid’, Vgl. in het Mnl. in Abrahams scoot varen (of leven; Mnl. Wdb. VII, 656); in de 16de eeuw; rusten in Abrahams schoot;Trou moet blijcken, 203. fr. être dans le sein d'Abraham; hd. in Abrahams Schosz kommen, sitzen; eng. to be in Abraham's bosom.

945. Het hoofd in den schoot leggen,

d.w.z. in iets berusten, zich overgeven. Oorspronkelijk zeide men enen (iemand, nl. dengene, door wien men zich overwonnen erkent) dat hovet in den schoot legghen, zooals blijkt uit Profijt. Liedeb. 114, 4: Dies legghe ic nu met rouwe mijn hooft in uwen schoot. Reeds vroeg werd de datief van den persoon, wien men het hoofd in den schoot lei, tot wiens beschikking men zijn hoofd, d.i. zich zelf stelde, weggelaten, zooals blijkt uit Despars I, 303: Eedelinghe die van Brugghe ende van Ghendt leyden thooft in schoot ende deden sconincx begeerte. Zie voor vele andere plaatsen het Mnl. Wdb. III, 693; Ndl. Wdb. VI, 941; VIII, 1417; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 59; 93 en 111; Sart. I, 10, 50; Coster, 308 vs. 114; Paffenr. 6; Tuinman I, 4; Halma, 223; enz.; vgl. voor Zuid-Nederland Joos, 103; Schuermans, 192 b: hooken in schoo(t)ken leggen, toegeven, zich onderwerpen; Antw. Idiot. 753: den kop in den schoot leggen; Waasch Idiot. 393 a: het hoofd in den schoot leggen; fri. de kop in 'e skutte lizze.

2018. Den schoot vieren,

d.i. toegeven, vrijheid geven; eig. den schoot, het touw dat aan den benedenhoek van het zeil is vastgemaakt en dient om het te spannen, wat laten schieten, en vandaar: eenige vrijheid geven, toegeven. Vgl. Winschooten, 236: de schoot vieren, oneigendlijk, wat toegeeven; Hooft, Brieven, 326; Ned. Hist. 54: Oranje, Egmondt, Hoorn en Mansveldt, ziende de geestelykheit sampt haare onderworpelinghen (niet teeghenstaande dat de Koning zelf scheen schoot te vieren) zoo styf op hun roer; Huygens, Oogentroost, vs. 152: Soo vierense staegh schoot en voeren 't in den top; Tuinman I, 142; 363; Halma, 572: Den schoot vieren, wat toegeven, zig zoo stijf niet houden; iemand den schoot vieren, iemand wat meer vrijheid geeven; Harreb. II, 258 a; enz. Syn. was de kabel vieren (De Brune, Bank. I, 125); zie no. 332.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal