Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sinaasappel - (citrusvrucht (citrus sinensis))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sinaasappel zn. ‘citrusvrucht (citrus sinensis)’
Vnnl. in De Chinas-appelen, die voor dezen niet als van rijke en vermogende Luiden gegeeten plachten te worden, moeten nu hun tanden (t.w. van de dienstmaagden) ook al bezuuren [1682; WNT], Dan moet ik na den Dam om Sinaas Appelen te koopen [1693; WNT].
Genoemd naar het land van herkomst China. Hetzelfde woord als → appelsien (woordmetathese).
De bittere of zure sinaasappel (Citrus aurantium) uit Voor-Indië kwam in de middeleeuwen via de Perzen bij de Arabieren terecht, die de vrucht en de boom via Sicilië in Zuid-Europa brachten. De zoete sinaasappel (Citrus sinensis), die in de 16e eeuw door de Portugezen uit China werd geïmporteerd, verdrong de zure variant als hand- en perssinaasappel; de bittere (Engels: Sevilla orange) handhaafde zich als vrucht van de oranjeboom, en als bron van oranjebitter [1851; Bomhoff], oranjemarmelade [1914; Van Dale], enz., waardoor oranje voor ‘sinaasappel’ ook bij ons is binnengekomen. Zie verder → oranje. Omdat de Portugezen de zoete Chinese variant naar het Westen hadden gebracht, wordt deze in het Italiaans ook wel portogallo genoemd, in het Roemeens portocală, in het Grieks portokáli en in het Bulgaars portokal.
Lit.: Sanders 1995; Philippa 2008, 28-30

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sinaasappel [zuidvrucht] {chinas-appelen 1682, sinaas-appelen 1693} eig. appel uit China, 17e-eeuws vaak Sina.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

sinaasappel

Hoe komt het dat men zowel sinaasappel als appelesiene hoort zeggen? De verklaring van dit verschijnsel is eenvoudig. Omstreeks 1500 begonnen de Portugezen in Europa een vrucht te importeren die zij uit China haalden. Nu is naast China en Chinees de schrijfwijze Sina en Sinees in oudere geschriften zeer gewoon. Men schreef dus sinaasappelen of chinaasappelen door elkaar, maar gebruikte ook de vorm: appelen Chinaas, dus: appelen van China. Dit is vanouds in de volkstaal de gebruikelijke vorm geweest. Vooral van Amsterdam uit werden de vruchten naar Duitsland gezonden en het is begrijpelijk dat men met het product de naam zoals men die in de havens hoorde, overnam. Vandaar dat de Duitser zegt: Apfelsine. Ook de Scandinavische landen en Rusland geven de vrucht een soortgelijke naam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sinaasappel znw. m., sinds de 17de eeuw chinaasappel ook appel Chinaas, naast sinaasappel en appel Sinaas, vgl. nog dial. appelsien > nhd. apfelsine. Zo ook fra. pomme de Sine. — De vrucht werd ± 1500 door de Portugezen uit China ingevoerd en hier ook gekweekt; uit de Nederlanden werd de vrucht naar Hamburg vervoerd en vandaar in Duitsland verhandeld.

De schrijfwijze Chinaasappel geeft de uitspraak met sj weer en is daarom ook normaal (R. v. d. Meulen Ts 62, 1943, 211-218) en zeker niet als dialectisch te beschouwen (v. Haeringen Suppl. 151). — De verklaring als ‘appelen van Messina, laatstelijk nog door Vercoullie, Vla. Akad. 1920, 594 verdedigd, is zeker niet juist, vgl. Grauls, Feestb. Is. Teirlinck. — Uit de vorm appelsien is overgenomen russ. apel’sín (R. v. d. Meulen Ts 28, 1909, 206).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sinaasappel znw., nog niet bij Kil. In de volkstaal en oudnnl. ook appelsine, welke vorm in ’t Hd. De. Zw. Russ. overging. De ndl. naam is een vert. van dgl. rom. namen, zooals fr. pomme de Sine. De vrucht is ± 1500 door de Portugeezen uit China in Europa geïmporteerd, zoodat de met de uitspraak overeenkomende spelling Chinaasappel tegelijk een goede etymologische spelling is. Vooral van Amsterdam en Hamburg uit werden de Nederlanden en Noord-Duitschland vroeger van sinaasappels voorzien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sinaasappel. In “de met de uitspraak overeenkomende spelling Chinaasappel” is blijkbaar een uitspraak sj- bedoeld, die niet als normaal, maar als dialectisch moet gelden.
Niet aannemelijk is de verklaring van het eerste deel uit Messina, waarvoor laatstelijk Vercoullie Vla. Acad. 1920, 594 vlg. het opneemt.Weerlegging bij Grauls Feestalbum Is.Teirlinck, waar tevens blijkt hoe de naam van de nieuwe variëteit oranje-appel, appelsien, sienappel, uit N.-Nederland zich zuidwaarts heeft verbreid naar Vlaams-België en daar het oudere oranje(-appel), aranie (zie oranje) op enkele resten na heeft verdrongen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sinaasappel (vert. van Frans pomme de Sine)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

sinaasappel (1676, uit het Frans) bekende zuidvrucht met oranje schil

De geschiedenis van de sinaasappel is nooit uitputtend beschreven. Er bestaan wel verschillende boeken over citrusvruchten in het algemeen, maar een doorwrochte monografie over de sinaasappel in historisch, sociaal-cultureel en pomologisch perspectief — helaas, we kunnen er slechts naar uitzien. Terwijl er toch zulke boeiende hoofdstukken te verwachten zouden zijn. Zoals: De sinaasappel als luxe-artikel, De sinaasappel als volksfruit, De oranjerie, Sinaasappels als grondstof voor parfum, marmelade en likeur, ‘Jongens van de sinaasappelkleur’: de sinaasappel als verzetssymbool in de Tweede Wereldoorlog, De uitvinding van de navel, De sinaasappelhuid, Kwiksinaasappels als politiek pressiemiddel, enzovoorts.
Ook een hoofdstuk over de herkomst van het woord zou niet mogen ontbreken. Dit laat zich in één zin samenvatten: de sinaasappel is naar China genoemd, het land van herkomst. Maar om tot deze conclusie te komen is er in de afgelopen 150 jaar onder taalkundigen heel wat afgekibbeld.
Het begon met de zure of bittere sinaasappel. Die werd omstreeks de 9de eeuw door de Arabieren meegenomen uit India. De Indiërs noemden de vrucht nâranga. Dit betekent ‘welriekende geur’ en ‘binnenste’.
Tegen de 12de eeuw werd de bittere sinaasappel op grote schaal gekweekt in onder andere Afrika, Spanje en ook Palestina. Daar ontdekten de kruisvaarders de vrucht. Ze vonden hem zo lekker dat ze hem meenamen naar huis, zoals zij ook deden met gaas (z.a.), de provincieroos (z.a.) en een hoop andere spullen. Met de sinaasappel waaierde de Indische naam nâranga vervolgens uit over Europa. In veel talen werd de begin-n weggelaten, omdat die werd ervaren als het restant van een lidwoord. In Frankrijk sprak men na verloop van tijd van orange, volgens sommigen naar de goudgele kleur (or) van de vrucht, volgens anderen onder invloed van de naam van de stad Orange, waar druk in bittere sinaasappels werd gehandeld.
In Nederland sprak men aanvankelijk van appelen van arancen, later — in navolging van het Frans — van oranje(appels).
Omstreeks 1548 stuurden Portugese missionarissen vanuit het zuiden van China zaden naar Europa van een heel andere sinaasappel, namelijk de zoete variant. Deze zaden groeiden uit tot de Europese oerboom die in de 19de eeuw nog te zien zou zijn geweest in de tuin van graaf St. Laurent in Lissabon.
Na Portugal veroverde de zoete sinaasappel Italië en van daaruit in razend tempo de rest van Europa. Er waren nu twee sinaasappels op de markt: een bittere en een zoete. Hoe moest je de nieuwe van de oude onderscheiden? Door er de naam van het land van herkomst aan vast te plakken. Zo zijn bij ons onder meer de volgende benamingen aangetroffen: Appel Sina of Lisbonse Oranje Appel (1676), Chinas-appelen (1682), appelen Chinaas (1685), Appel-Sina (1692) en Sinaas-Appelen (1693).
Ondertussen beleefde de vrucht een kleine maatschappelijke revolutie. In het begin was de zoete sinaasappel namelijk voorbehouden aan de happy few. Men at de vrucht slechts bij feestelijke gelegenheden of bij ziekte. Maar al snel werden enorme hoeveelheden sinaasappels vanuit Zuid-Europa naar Amsterdam verscheept en reeds in 1682 beklaagde de Utrechtse schoolmeester Simon de Vries zich erover dat de sinaasappel zelfs de tanden van dienstmaagden ‘te bezuren’ had.
Als de herkomst van het woord sinaasappel zo duidelijk is, waar hebben de taalkundigen dan over gekibbeld? Voornamelijk over de volksnaam appelsien, die in de 18de eeuw ontstond. Men meende dat die verwees naar de Siciliaanse havenstad Messina, waar tot in de 19de eeuw de sappigste sinaasappels vandaan kwamen. Deze theorie heeft vooraanstaande aanhangers gehad, laatstelijk in 1965, maar wegens gebrek aan bewijs heeft men haar inmiddels verlaten.
Overigens had het woord appelsien internationaal succes. In de 18de en de 19de eeuw voorzag Amsterdam (samen met Hamburg) een groot deel van Noord-Europa van sinaasappels. Het woord appelsien reisde mee, en veroverde zich een plaatsje in onder meer het Duits, Deens, Zweeds en zelfs in het Russisch (namelijk als apel'sin). Ook dit laatste wapenfeit zou een plaatsje verdienen in een monografie over de sinaasappel.

Engels orange (14de eeuw orenge, 17de eeuw China orange); Duits Apfelsine (begin 18de eeuw o.a. Apel de Sina, Appelsina, Chinaapfel); Frans orange (1200 pume orenge, ±1700 pomme de Sine).

SINAASAPPEL: Nieuwenhuis Aanhangsel 4 (1838) 756; WNT II1 (1898) 566; TNTL 28 (1909) 206; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 609; WNT III2 (1916) 2012-2013; Vercoullie Etym. wdb. (19253) 14 ; J. Grauls, ‘Oranje, appelsien en lemoen’, in: Isidoor Teirlinck Album (1931); Haeringen Suppl. etym. wdb. (1936) 151; WNT XIV (1936) 1366-1367; TNTL 62 (1942) 215-216; WNT Suppl. I (1956) 1412; F. Debrabandere ‘Kortrijks Gijnappel contra Sijnappel’, in: Biekorf 66 (1965) 409-411; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 641; H. Hogerheijde, ‘Onderzoek naar regionale namen van citrusvruchten’, in: Taal en Tongval 31 (1979) 24-40.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sinaasappel ‘saprijke zuidvrucht’ -> Duits dialect Sinaasappel, Sinasappel, Sinesappel ‘saprijke zuidvrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sinaasappel zuidvrucht 1682 [Sanders 1995]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal