Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaart - (snelheid, het varen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vaart zn. ‘snelheid; het varen; kanaal’
Onl. farth ‘voortgang, het gaan’, genitief ferthe [10e eeuw; W.Ps.], ‘reis, tocht’ in gisunda farht ‘een behouden reis’ [10e eeuw; W.Ps.], thiu gescripht hauet samo thrada uard also thaz bergwazzer ‘de Schrift heeft dezelfde snelle vaart als de bergbeek’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vart, vaert, vaerde ‘voortgang; snelheid; reis, tocht; handelwijze’ in Got motu geuen goede uart ‘moge God u een behouden tocht schenken’, met groter vart ‘met grote snelheid’ [beide 1265-70; VMNW], Aaron ende hur wilden dat diet. Bestiren van der dulre vard ‘Aäron en Chur wilden het volk afhouden van deze dwaze handelwijze’ [1285; VMNW dul], behouden der openre vaerd van weghe ende van waterganghe ‘met behoud van vrije doorgang te land en te water’ [1287; VMNW], ‘kanaal, waterweg’ in vaerden, waterganghen, beken, grachten groot of clene [1438; MNW].
Verbaalabstractum bij het werkwoord → varen 2 met het Indo-Europese achtervoegsel *-ti-. De verbogen naamvallen hebben in het Middelnederlands meestal nog klankwettig -d-, maar de verscherpte -t van de nominatief heeft zich uiteindelijk over het hele paradigma verspreid. De oorspr. klank is nog herkenbaar in de afleidingen → aanvaarden, → dagvaarden, → hovaardig, → rechtvaardig en → vaardig.
Os. fard (mnd. vart); ohd. fart (nhd. Fahrt); ofri. ferd (nfri. feart < mnl.); oe. fierd; on. ferð (nzw. färd); alle ‘voortgang, het gaan, tocht e.d.’, < pgm. *farþi-.
De meeste huidige betekenissen van het woord bestonden al in het Oud- of Middelnederlands en komen ook voor in de andere Germaanse talen. De alleen in het Nederlands voorkomende betekenisvernauwing van varen van ‘gaan, zich begeven’ tot ‘zich verplaatsen per boot e.d.’ heeft geleid tot de betekenis vaart ‘kanaal, waterweg’ en tot -vaart ‘het varen’ in samenstellingen als scheepvaart, zeevaart en bij uitbreiding luchtvaart [1813; iWNT], ballonvaart [1911; iWNT ballon], ruimtevaart [1947; iWNT ruimte]. Zie ook → bedevaart, → hemelvaart, → gevaarte.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaart1* [snelheid, het varen] {vaert, va(e)rde [het gaan, reis, snelheid, het varen, kanaal] 1200} met verscherping van d tot t afgeleid van varen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaart znw. v., mnl. vaert v. (m.), met verscherpte uitgang door invloed van het suffix t (zie: buurt), onfrank. farth, os. fard, ohd. fart (nhd. fahrt, vgl. hapax hinavarth), ofri. ferd, oe. fierd, on. ferð v. < germ. *farþi een -ti- afl. van varen 2.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

per-2: B. per-, perǝ- ‘hinüberführen oder -bringen oder -kommen, übersetzen, durchdringen, fliegen’, nicht sicher von per 2: C. zu trennen, poro-s ‘Zugang’, por-mo-s ‘Fähre’, per-tu-s, por-tu-s ‘Zugang’;

Ai. píparti ‘führt hinüber, geleitet, fördert, übertrifft’, Kausat. pāráyati ‘setzt über’ (= pālayati ‘schützt’), av. par- (mit Präfixen) ‘hindurch-, hinübergehen’, Kaus. -pārayeité, ai. pāra- ‘hinüberbringend, übersetzend’, m. n. ‘jenseitiges Ufer, Ziel, äußerste Grenze’ (dazu pārya- ‘wirksam’), av. pāra- m. ‘Ufer; Grenze, Ende’;
arm. hord ‘begangen, betreten’, hordan ‘fortgehen’, hordantam ‘lasse fortgehen’, und heriun ‘Pfrieme’; thrak. πόρος, -παρα in Ortsnamen = gr. πόρος ‘Furt’;
gr. περάω ‘dringe durch’, πείρω (πεπαρμένος) ‘durchdringe, durchbohre’ (= ksl. na-perjǫ), διαμ-περής ‘durchbohrend’, περόνη ‘Spitze, Stachel, Spange’; πόρος ‘Durchgang, Zugang, Übergang, Furt; Ausweg; Pl. Einkünfte’, hom. πορεῖν ‘verschaffen’, Aor. ἔπορον; πέπρωται ‘ist, war vom Schicksal bestimmt’ (*pr̥̄-), πορεύω ‘führe, verschaffe’, Med. ‘reise’, πορίζω ‘gewähre Durchgang; verschaffe’, πορθμός ‘Überfahrt, Meerenge’;
alb. pruva, prura ‘brachte, führte’, sh-poroj ‘durchbohre, durchsteche’ (dis- + *pērā-i̯ō), sh-poj, tsh-poj, sh-puay ‘ds., durchbreche eine Mauer, breche ein’ (dis- + *pērei̯ō), sh-pie ‘führe hin’ (*sem- + *perō); pirr(ë) f. ‘Dorn’ (*per-nā) usw.;
lat. portō, -āre ‘tragen, führen, fahren, bringen, darbringen’, umbr. portatu ‘portato’, portust ‘portaverit’ (*poritō, zu einem Iterativ *porei̯ō);
got. faran, for ‘wandern, ziehen’, farjan ‘fahren, schiffen’, st. V. ahd. ags. faran, aisl. fara ‘fahren’, schw. V. as. ferian, ahd. ferien, ferren, aisl. ferja ‘fahren, schiffen’(farjan = *porei̯ō); aisl. fǫr f. ‘Reise, Fahrt’, ags. faru f. ‘Fahrt, Reise, Zug’, mhd. var f. ‘Fahrt, Weg, Art, Weise’ (fem. zu gr. πόρος); aisl. farmr, ags. fearm m. ‘Schiffsladung’, ahd. farm ‘Nachen’ (= russ. porom); dehnstuf. Kaus. as. fōrian, ahd. fuoren, nhd. führen, aisl. fø̄ra ds., ags. (als Iter.) fēran ‘gehn, ziehen’ (= av. pāráyati, aksl. pariti); ahd. fuora ‘Fuhre, Fahrt usw.’, ags. fōr f. ‘Fahrt, Wagen’; aisl. fø̄rr ‘fahrbar, geeignet’, ahd. gi-fuori ‘passend, bequem, nützlich’; Verbalabstr. aisl. ferð, ags. fierd, ahd. mhd. fart ‘Fahrt’ (*por-ti-);
russ.-ksl. na-perjǫ (= πείρω), -periti ‘durchbohren’; perǫ, pъrati ‘fliegen’; Iter. pariti ‘fliegen, schweben’ (= ai. pārayati, germ. *fōrjan); pero ‘Feder’; russ. poróm, skr. prȁm ‘Fähre’ (= aisl. farmr); vermutlich hierher auch aksl. porjǫ, prati ‘zerschneiden’; über nhd. Farn usw. s. Nachtrag S. 850.
per-tu-, por-tu-, Gen. pr̥-teus ‘Durchgang, Furt’: av. pǝrǝtu-š m. f. (urar. *pr̥tú-š) und pǝšu-š m. (urar. *pŕ̥tu-š) ‘Durchgang, Furt, Brücke’ (hu-pǝrǝθwa- ‘gut zu überschreiten’ = ‘Euphrat’); lat. portus, -ūs ‘Haustüre’ (XII tab.); ‘Hafen’, angi-portus ‘enge Passage, Nebengäßchen’; daneben ā-St. porta ‘Stadttor, Tor’ = osk. [p]úrtam; illyr. ON Nau-portus; gall. ritu- ‘Furt’ in Ritumagus, Augustoritum, acymr. rit, ncymr. rhyd, corn. rit ‘Furt’; ahd. furt, ags. ford ‘Furt’ (hochstufig aisl. fjǫrðr ‘enger Meerbusen’ aus *per-tu-s); daneben f. i-St. im nhd. ON Fürth (*furti-).
Nachtrag zu S. 817:
Zu ksl. pero ‘Feder’ gehören *por-no- ‘Feder’ in ai. parṇá- n. ‘Feder, Blatt’, av. parǝna- n. ‘Feder, Flügel’, as. ahd. farn ‘Farnkraut’ (*Federkraut), ags. fearn m. ds., lit. spar̂nas, lett. spàrns m. ‘Flügel’ (das s- von der Wz. spher-);
*prǝti-s in gall. ratis, mir. raith f. ‘Farnkraut’, bret. rad-enn Kollektiv ds.;
*po-port-i̯o- in lit. papártis, papartỹs ‘Farnkraut’, lett. paparde, paparske ds.; mit Dehnstufe slav. *paparti- f. in russ. páporotь usw. ds.
WP. II 21, Trautmann 206, Vasmer 2, 313.

WP. II 39 f., WH. II 344, Trautmann 206, 215 f.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaart znw, mnl. vaert (d) v. (m.). De stamauslaut -t ontstond door invloed van het suffix -t (vgl. buurt). = onfr. farth, ohd. fart (nhd. fahrt, eenmaal ohd. hina-varth), os. fard, ofri. ferd, ags. fierd, on. ferð v., germ. *farþi-, *farði-. Van den stam van varen II met de bet. “het gaan” en daaruit ontstane bett.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaart v. (gang, kanaal), Mnl. vaert, Os. fard + Ohd. fart (Mhd. vart, Nhd. fahrt), Ags. fierd, On. ferd: partic. afleid. van varen. In ’t Ndl. is t verscherpt uit d, zooals nog blijkt uit vaardig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vaart, zn.: heimwee. Afl. van varen ‘tegenvallen’; zie i.v.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vaart 1 zn. v.: vaart, snelheid; baanlengte bij het ploegen. Zoals Ndl. vaart, D. Fahrt < Germ. *farþi-, *farði-, van het ww. varen.

vaart 2 zn.: heimwee. Vooral Brabants. Eigenlijk een toestand waaraan iemand niet kan wennen, waarbij het iemand ‘vaart’. Afl. van varen ‘tegenvallen’; zie i.v.

vate 1 zn.: vaart, watergang. Ghijsen spelt vae(r)te, wat een assimilatie rt > t veronderstelt. Ndl. vaart ontstond uit vaard, met normale auslautverscherping. Vaarte < Mnl. vaerde is evenwel moeilijk, omdat een verscherping in de inlaut normaal niet voorkomt. Vermoedelijk werd het woord geassocieerd met vate 2.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vaart 2 (H), zn.: heimwee. Vooral Brabants. Afl. van varen 'tegenvallen'; zie i.v.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vaart heimwee (Brabant). Afl. bij onpersoonlijk gebruikt t zal hem varen ‘hij zal er heimwee naar hebben’, ~ mnl. vaer ‘vrees’ en mnl. varen ‘vrezen’ (= eng. fear ‘vrezen’), ~ lat. periculum ‘gevaar’ en arm. phorj ‘poging’.
WNT XVIII 87, 541-544, ED 217.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

vaart 'bevaarbaar water'
Onl. farth, ofri. ferd, os. fard, ohd. fart, oe. fierd, ono. ferð alle 'voortgang, het gaan, tocht e.d.', < germ. *farþi-, bij het werkwoord varen 'gaan, zich begeven'. De betekenisvernauwing tot 'bevaarbaar water, kanaal' is beperkt tot het Nederlands. Oudste attestaties in waternamen: 1288 ad fossatum vestrum sive aqueductum, qui vaert vulgo dicitur (Nieuwe Vaart, van de Rijn bij Jutphaas naar de Lek bij Vreeswijk)1, 1280-1287 tusken lichtevoets vaert ende tanthoeft (Lichtvoetsvaart, noordelijk deel van de Vlaardingervaart, die bij Schipluiden in de Gaag uitkomt)2.
Lit. 1Schönfeld 1955 191, 2Corpus Gysseling I 497.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaart, afl. op t (als teelt van telen) van varen = gaan; vgl. Hemelvaart; dagvaart. Het woord w.d.z.: gang. „Met grooten gang” gaf aanleiding tot het synonieme: snelheid. – Als kanaal bet. het eig. watergang.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaart ‘snelheid’ -> Deens fart ‘snelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fart ‘snelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fart ‘snelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect vårt ‘(binnenscheepvaart:) drang, aandrijving’; Sranantongo fart ‘snelheid’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

vaart der volkeren [uitdrukking] (1894). Literator Lodewijk van Deyssel (1864-1952) publiceert zijn in 1887 geschreven verhandeling ‘Nieuw Holland’, met daarin de spreekwoordelijk geworden uitdrukking de vaart der volkeren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaart* snelheid 1330 [MNW]

vaart* het varen 1598 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal