Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wereld - (aardbol; kosmos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wereld zn. ‘aardbol; kosmos’
Onl. werolt, werilt ‘wereld, werelds bestaan, tijdperk, eeuwigheid’ in in thionda an uueroldi ‘en zij die gedijen in de wereld’, Uuonon sal ic an selethon thinro an uueroldi ‘ik zal in eeuwigheid in uw woning wonen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], thiro wereld arbeyde ‘de lasten van het werelds bestaan’ [1100; Will.]; mnl. werelt ‘aarde, mensheid, seculier leven’ in die weder ter wereld willen keren ‘die weer naar de wereld willen terugkeren’ [1236; VMNW], Die meer dat gheestelic ermoede Begerde ... Dan al dat heft die werelt binnen ‘die meer de godvruchtige armoede begeerde dan alles wat de wereld te bieden heeft’, Dat al die werelt harde suare Ontgelden sal ‘wat de hele mensheid heel zwaar te verduren zal krijgen’ [beide 1265-70; VMNW].
Os. werold; ohd. weralt (nhd. Welt); ofri. wrald (nfri. wrâld); oe. weorold (ne. world); on. veröld (laat geattesteerd en misschien ontleend aan het oe.; nzw. värld); alle ‘leven, tijd, levenstijd, mensheid, wereld e.d.’, < pgm. *weraldi-.
Samengesteld uit *wera- ‘man’, zie → weerwolf, en *aldi- ‘ouderdom, leeftijd’, waaruit: ofri. elde, ield(e) (nfri. jeld); oe. ield; on. öld; got. alds waarnaast os. eldi; oe. ielde; on. aldir ‘mensen’, bij het bn.oud. De betekenis ontwikkelde zich dus van ‘mensenleeftijd, mensenleven’ tot ‘aarde, wereld (waarop we leven, in tegenstelling tot het hiernamaals)’ en ‘periode, eeuwigheid’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wereld* [de aarde, kosmos] {oudnederlands werolt 901-1000, middelnederlands wer(e)lt, warelt [eeuwigheid, eeuw, heelal, de aarde, de mensen]} oudsaksisch werold, oudhoogduits weralt, oudfries wrald, oudengels weorold, oudnoors verǫld; het eerste lid is weer [man] (vgl. weerwolf), het tweede is gotisch alds, middelnederlands oude [leeftijd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wereld znw. v., mnl. wērelt, werlt v. m. ‘wereld, tijdperk, genot’, onfrank. werolt v. ‘saeculum’, os. werold v. m., ohd. weralt, werolt, worolt v. ‘levenstijd, leven, tijdperk, mensengeslacht, mensheid, aarde, wereld’, oe. weorold v. m. ‘wereld, mensheid; leven’ (ne. world), ofri. warld, wrald, on. verǫld v. ‘wereld, leven; tijd; stuk van een weg’ (laat optredend en dus wel ontleend aan het eng.?). — Samenstelling van germ. *wera- ‘man’ (waarvoor zie: weerwolf) + germ. *alði ‘leeftijd’, vgl. oe. ield, on. ǫld, got. alds v. ‘mensenleeftijd, periode, tijd, eeuwigheid’, waarnaast het mv. os. eldi, oe. ielde, on. aldir ‘mensen’. Dit is een afl. van de idg. wt. *al ‘groeien’, waarvoor zie: oud.

De bet. ‘mensheid, mensen’ kan als afl. van de wt. al- zich ontwikkeld hebben naast die van ‘leeftijd, periode’ (van Haeringen Suppl. 193), maar het laatste begrip schijnt toch wel als het oudste op te treden.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯ī̆ro-s ‘Mann’, eigentlich ‘der Kräftige’

Mit ī: ai. vīrá-, av. vīra- ‘Mann, Held’, umbr. Akk. Pl. n. u(e)iro ‘mancipia’, volsk. Abl. Sg. couehriu ‘*coviriō, contiōne’, lit. výras, lett. wîrs, apr. wijrs ‘Mann’; skyth. οἰόρ “ἄνδρα” (Herod. 4, 110), richtiger οἰρο- = vīro-; ai. virapśá- aus *vīra-pśv-a- (: av. pasu vīra) ‘Menschen und Vieh’, vgl. umbr. ueiro pequo ds.
Mit : lat. vir ‘Mann’, in der älteren Sprache auch das einzige Wort für ‘Gatte’, wozu virāgō ‘mannhafte Jungfrau, Heldin’, virtus ‘Mannhaftigkeit, Tüchtigkeit, Tugend’, air. fer ‘Mann’, cymr. usw. gwr, Pl. gwyr (zu welchem der Sg. gwr analogisch dazugebildet ist), got. waír, aisl. verr, ahd. as. ags. wer ‘Mann’, toch. A wir ‘jung’; nhd. Werwolf; wahrscheinlich zu lat. vīs ‘Kraft’ usw., *u̯ei- ‘auf etwas losgehen’, s. d.

WP. I 314 f., WH. II 796 f., Trautmann 360, W. Schulze Kl. Schr. 398, Untermann, IF. 62, 127.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wereld znw., mnl. wērelt, werlt (d) v. (m.) “wereld, tijdperk, genot”. = onfr. wërolt (d) v. “saeculum”, ohd. wëralt, wërolt, worolt v. “levenstijd, leven, tijdperk, menschengeslacht, menschheid, aarde, wereld” (nhd. welt), os. wërold v. (m.), ofri. warld, wrald v., ags, weorold, worold v. (m.) (eng. world), on. vërold v. in dgl. bett. Uit *wera- “man” (zie weerwolf) + germ. *alði “leeftijd” = got. alds v. “menschenleeftijd, periode, tijd, eeuwigheid”, on. ǫld v., ags. ield v. in dgl. bet., ’t mv. os. eldi, ags. ielde, on. aldir “menschen”: idg. *al-tí, evenals oud van de basis al-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wereld. De bet. ‘mensheid, mensen’ van germ. *alði- behoeft niet secundair te zijn t.o.v. ‘leeftijd, periode’ enz., maar kan zich rechtstreeks aansluiten bij de concrete bet. der bij oud besproken basis *al-: ‘voeden, laten groeien’. Vgl. got. mana-seþs v. ‘mensheid, wereld’, lat. saeculum ‘generatie, geslacht, leeftijd, eeuw’ (< *saitlo- < idg. *sǝi-tlo-?) bij idg. *(i)- (zie zaaien). Brugmann PBB. 43, 316.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wereld v., Mnl. werelt, Onfra., Os. werold + Ohd. weralt (Mhd. werelt, werlt, welt, Nhd. welt), Ags. weorold (Eng. world). Ofri. wrald, On. verǫld (Zw. verld, De. verden): het eerste lid is weer = man, mensch (z. weergeld), het tweede is oude (z.d.w.) = ouderdom, geslacht; dus wereld = menschengeslacht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wereld (zn.) wereld; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) wair(r)eld, werreld, Aajdnederlands werolt <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

welt, zn.: wereld. Mnl. welt, D. Welt ‘wereld’ < Mhd. werlt.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

weld, wald, waald wereld (Achterhoek). = hgd. welt = nl. wereld.
WALD 1987, 95.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wêreld: aarde; heelal; (sondige) mensdom; Ndl. wereld (Mnl. wērelt/werlt, “tydperk; wêreld”), Hd. welt, Eng. world, ss. uit wer (v. weergeld, weerwolf) en ’n Germ. wd. (soos Got. alds) wat o.a. “tydperk; ewigheid” bet. en verb. hou m. Ndl./Afr. oud, Hd. alt, Eng. old, ong. “’n leeftyd/tydperk v. mense”, v. Kloe HGA 100-5.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wereld ‘het aardse bestaan’ (bet. van Latijn saeculum); (de -- wil bedrogen worden) (vert. van Latijn mundus vult decipi); (derde --) (vert. van Frans tiers monde); (nieuwe --) (vert. van Spaans nuevo mundo)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Wereld, samenstelling van een woord weer = man, dat we nog overhebben in weergeld, weerwolf, en een woord eld (uit aldi) dat van een zelfden stam is als oud (ald), in de beteekenis van tijd, tijdperk, enz. ’t Is dus eigenlijk menschenleeftijd, het zijn van de menschen, het bestaande.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wereld (Os. werold) bestaat uit weer = man, mensch (zie Weergeld) en old, Got. aldi = oude, n.1. ouderdom, evenals koude z.n.w. is van koud. Het woord w.d.z. menschenleeftijd. Later kreeg het – op welke wijze is niet duidelijk – de bet. van heelal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wereld ‘de aarde, kosmos’ -> Negerhollands wereld, weerelt, werǝn ‘de aarde, kosmos’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † weren ‘de aarde, kosmos’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

De wereld gaat aan vlijt ten onder [boektitel] (1954). De schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff, 1919-2004) publiceert in 1954 de roman De wereld gaat aan vlijt ten onder, waarvan de titel spreekwoordelijk wordt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wereld* de aarde, kosmos 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1672. Ondank is 's werelds loon.

‘Het goede wordt in de wereld veelal met kwaad vergolden’; hd. Undank ist der Welt Lohn; de. utak et Verdens Lon (Wander IV, 1422); zie Tuinman I, 258; 316; II, 174; Joos, 183; Waasch Idiot. 166 a; Harreb. II, 36 b; Villiers, 89; fri. ontank is 't lean fen 'e wrâld, en vgl. de platte uitdr. stank voor dank; fri. stank is wrâlds lean.

378. De brutalen hebben (of een brutaal mensch heeft) het derde deel van de (of de halve) wereld.

Deze meening wordt in de 16de eeuw uitgedrukt door d'Onschamelen hebben de twee derdendeelen van de Werelt (Coornhert, Maeghdekens Schole, fol. 395 r); Campen 114: Die onschamelen hebben t'dordendeel van der werelt (evenzoo Spreuken, 55); Sart. III, 2, 41: De onbeschaemde hebben het derdendeel des werelts; III, 9, 8: Stoute lieden hebben het derde deel van de Wereldt; Coster, 512, vs. 475:

 Dan moocht ghy gaen ghestickt, gheprickt en gheperelt:
 Want onbeschaemde luy, hebbe toch het derdendeel van de werelt.

Tuinman I, 69: De onbeschaamde menschen hebben het derde deel van de wereld; II, 102; Harreb. I, 123: III, 154: Assurante (of Onbeschaamde) menschen hebben het derde deel (of de helft) van de wereld; Ndl. Wdb. X, 1029: Onbeschaamde menschen hebben het derde deel der wereld in pacht; Loosjes, Bronkh. 3, 159: Vrypostige Lieden hebben een derde deel der wereld; Nest, 27: Hij vond dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; De Arbeid, 8 April 1914, p. 4 k. 3: Hoe brutaler hoe liever. Een brutaal mensch heeft immers de halve wereld! 6 Maart 1915, p. 4 k. 4: Wat anderen niet mogen dat mag ‘Het Volk’. Daarvoor huldigen zij aan dien kant de spreuk: ‘De brutalen hebben de halve wereld’; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 3: Ook hier werd echter weer bewaarheid dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; fri. de drysten hawwe de wrâld.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal