Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijs - (verstandig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wijs 2 bn. ‘verstandig’
Onl. wīs ‘verstandig’ in einen wisen man ‘een wijze man’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. wijs in eine magit edele ende wis ‘een edele en verstandige jonge vrouw’ [1201-25; VMNW], wijs van sinne ‘wijs van geest’ [1276-1300; VMNW]; nnl. in de uitdrukking wijs worden uit ‘kunnen begrijpen’ als in Zo veel ik uit ... wys kan worden [1785; iWNT].
Os. wīs (mnd. wīs); ohd. wīs, wīsi (nhd. weise); ofri. wīs (nfri. wiis); oe. wīs (ne. wise); on. víss (nzw. vis); got. -weis; alle ‘wijs, verstandig’, < pgm. *wīsa- ‘wijs, verstandig’.
Behoort bij de wortel pie. *ueid- ‘zien’ van → weten. Het gaat of om een perfectumvorm pie. *ueid-to- die met Primärberührung tot pgm. *weissa- en met monoftongering en vereenvoudiging van de medeklinker tot pgm. *wīsa- werd, of om een -s-afleiding bij dezelfde wortel, pie. *ueid-so-, die zich door assimilatie op dezelfde manier tot pgm. *wīsa- ontwikkelde.
wijselijk bw. ‘met wijs inzicht’. Onl. wīslīko ‘verstandig’, in de spelling uuislico ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wisleke ‘op verstandige wijze’ [1240; Bern.], wijslec ‘id.’ [1315-35; MNW-P], wijslijc ‘id.’ [1340-60; MNW-R], wijsselijc ‘id.’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. wijselic als uitdrukking dat de spreker iets verstandig vindt in ... wijselic afghedaen ende op de turre verborghen ‘(altaarstukken werden) wijselijk weggehaald en in de toren verborgen’ [1566; WNT]. Afleiding van het bn. wijs met het bijwoordelijke achtervoegsel → -lijk en een epenthetisch e.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijs2* [verstandig] {1201-1225} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels wīs, oudnoors vīss, gotisch -weis; ablautend bij wis1 en verwant met weten. Voor de uitdrukking iemand iets wijs maken [op de mouw spelden] vgl. middelnederlands enen wijs maken ene dinc [iem. van iets verwittigen, ook: iets wijsmaken], zodat blijkbaar thans nog slechts de tweede betekenis heeft overleefd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijs 1 bnw., mnl. wijs, os. wīs, ohd. wīs, wīsi (nhd. weise), ofri. oe. wīs (ne. wise) ‘wetend, wijs’, on. vīss ‘wetend, wijs, zeker’, got. -weis (bijv. unweis ‘onwetend’), vgl. onfrank. wīslīco ‘verstandig’, wīsduom ‘wijsheid, wetenschap’. — Zie: weten, wijzen en wis.

Men gaat gewoonlijk van een deelw. idg. *u̯eidto uit, maar daartegen is aan te voeren, dat het deelwoord *u̯idto luidde, vgl. gr. áistos en dat tot wis geleid heeft. De germ. grondvorm *wīsa wijkt hiervan af door de lange klinker en de enkele consonant. Meillet WS 12, 1926, 19 neemt daarom een secundaire formatie aan en wel omdat het oorspr. deelw. (got. weitwōþs) zich gespecialiseerd had tot de betekenis getuige. Intussen is deze nieuwe formatie al evenmin duidelijk. — IEW 1127 gaat uit van een vorm idg. *u̯eid-so.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijs I bnw., mnl. wijs. = (onfr. wîslîco “sapienter”, wîsduom m. “sapientia, scientia”), ohd. wîs (en wîsi, nhd. weise), os. ofri. ags. wîs (eng. wise) “wetend, wijs”, on. vîss “id., gewis”, got. weis in fulla-weis “volkomen”, un-weis “onwetend” e.a. Deelwoordformatie, met weten verwant: idg. *weid-to-, ablautend met wis. Van germ. *wîsa- de factitieve ww. mnl. wîsen (zwak, ook reeds sterk; nnl. wijzen sterk, maar het gewijsde), onfr. wîson, ohd. wîsen (nhd. weisen), os. wîsian, wîson, ofri. wîsa, ags. wîsian, on. vîsa, oorspr. “wetend maken”, dan “toonen” en dgl. bett.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wijs I bnw. Bij wijzen is o.a. genoemd onfr. os. wîson, dit betekent ‘bezoeken’, evenals ohd. wísôn = got. ga-weison ‘bezoeken, verzorgen’; dit ww. mag niet zo maar met de overige, die ‘tonen, leiden’ e.d. betekenen, worden geïdentificeerd. Of dit -ôn-ww. rechtstreeks bij wijs I behoort, is wegens de bet. niet zeker (vgl. Heinertz Et. Stud. z. Ahd. 147); het zou ook formantisch kunnen vergeleken worden met lat. vîso ‘ik bezoek’ (< *weid-sô, ook met weten verwant): vgl. Persson Beitr. 341; minder wsch. is de afl. van wijze. Dat het germ. ww. aan lat. vîso zou ontleend zijn, zooals Kluge Urg3. 71 wil, is niet aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijs 2 bijv.(verstandig), Mnl. wijs, Os. wîs + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. weise), Ags. wís (Eng. wise), Ofri. wís, On. víss (Zw. vis, De. vis), Go. weis: een afleid. van denz. wortel (normalen toestand) als weten: Ug. *wîs(s)áz, Idg. *u̯ei̯d-tós.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wies (bn.) wijs, verstandig; Vreugmiddelnederlands wis <1151-1200>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wys I: b.nw., kundig, verstandig; (ook) kwaai; Ndl. wijs (Mnl. wijs, in bet. “kwaai” blb. alleen dial.), Hd. weise, Eng. wise, hou verb. m. ww. weet (q.v.).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De wijzen uit het oosten, de wijzen uit het geboorteverhaal van Jezus, die uit het oosten op de wonderlijke ster afkomen die Jezus' geboorteplaats aanduidt en Jezus daar komen aanbidden; (fig.) wijze mensen.

Alleen de evangelisten Matteüs en Lucas vertellen over Jezus' geboorte: hoe Jozef en Maria voor een volkstelling naar Betlehem reisden en hoe Maria daar in een stal -- omdat er geen plaats was in de herberg -- Jezus ter wereld bracht. De wijzen uit het oosten figureren uitsluitend in het evangelie naar Matteüs: 'Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen' (Matteüs 2:1-2, NBG-vertaling). Vervolgens reisden zij de ster achterna en arriveerden te Betlehem. 'En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neder en bewezen hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre' (Matteüs 2:11, NBG-vertaling). Deze wijzen werden in de loop van het eerste millennium na Christus steeds vaker koningen genoemd, zie Koning. In de NBV heten zij magiërs.

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 2:1. Siet doen quamen die wijzen wt oosten te Jerusalem.
Hitler zegt, dat hij 'Lebensraum' nodig heeft en hij kijkt naar het Oosten, alsof daar de wijzen vandaan komen. (T. Hilberink, Cycli. Geschiedenis van de familie Burger (1840-1945), 1992, p. 228)
Liefhebbers van ander proza [...] komen met Spaanse vlieg! bedrogen uit, en dat geldt ook voor journalisten, feministen, criminologen, wijzen uit het Oosten en zo meer. Daarom geloof ik wel in dit boek, omdat het absurd is. (Vrij Nederland, 23-6-1984)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wijs (verstandig) is ’t Germ. adjectief wisa, afl. van weten, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijs ‘verstandig’ -> Negerhollands wies ‘verstandig, slim, intelligent; wijsmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijs* verstandig 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

535. Het ei wil wijzer zijn dan de hen,

d.w.z. het kind wil wijzer zijn dan de ouders; vgl. Campen, 23: Dat ey is cloecker dan die henne; De Brune, 482: het ei dat wilt den hane leeren; Tuinman I, 356: 't ei wil 't hoen leeren; zie Wander I, 752; das ey ist (will) klüger denn die henne (sein), waar gewezen wordt op het lat.: ante barbam doces senes; Schrader, 197: sus Minervam (docere vult); fr.: c'est Gros-Jean qui remontre à son curé; het eng. Jack Sprat would teach his grandam, enz. Vgl. ook het fri.: it aei wol wizer wêze as de hin, en verder Taalgids IV, 272; Eckart, 93; Joos, 176: het ei wil wijzer zijn als het kieken; Bresemann, 265: aeaget vil laere hönen; Harreb. I, 177 a.

1980. Door schade en schande wordt men wijs.

Deze gedachte werd in het lat. uitgedrukt door eventus stultorum magister est; mlat. stultus damnatus maiori cedit honori. Het spreekwoord komt in het Mnl. nog niet voor; wèl de verbinding scade ende scande naast sonde ende scande. Het eerst vindt men het spreekwoord bij Campen, 17: Men moet wys worden, het sy met schade oft met schande; Servilius, 252*: Men moet leeren met scade of met schande; Sart. I, 4, 52: Men leert niet dan met schade of schande; Goedthals, 57; Idinau, 173; Cats II, 280:

 De schade die men lijt, de schande die men vreest,
 Maeckt plompe sinnen sneegh, en wet een domme geest.

De Brune, 327; 477; Tuinman II, 174: Men moet leeren met schade, en met schande; Adagia, 48: Met schande ofte met schaede worden wy weys, quae nocent docent; Harreb. II, 240; Afrik. deur skade en skande word mens wys; Suringar, Erasmus CXI; Wander IV, 44; voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1059: ge moet leeren met schade of met schand; fri. me moat leare mei skea en mei skande.

2480. Door (of met) vragen wordt men wijs.

Deze gedachte wordt ook uitgedrukt door die weten wil, moet vragen of met vragen gaat men ver (Harrebomée III, 79), welk laatste gezegde in de 16de eeuw wordt aangetroffen bij Goedthals, 50: Met vraghen gaetmen verre, qui cerche, il trouve. In de 16de eeuw kende men ook: veel vragens wijst zeere (Harreb. III, 307); 17de eeuw, evenals thans: men wordt door vragen wijs (zie Vondel, Leeuwendalers, 32); vgl. verder V.d. Venne, 132 a: t Vragen maeckt kenlijk; Cats II, 166 b: Met vragen wort men wijs.... maer onwaert (onbemind); Sart. II, 3, 11: Al vraghende coemt-men te Romen; Tuinman I, 29: Met vragen komt men te Romen; (Ndl. Wdb. XIII, 995); Bierh. 9 (18de eeuw): Het oude spreekwoord, dat zegd, met vraagen komt men te Roomen (zie Wander I, 1096 en Antw. Idiot. 1404: met vragen komde te Roomen) of door vragen wordt men wijs, of onwaard (zoo bij Gruterus II, 138; in de Prov. Comm. bl. 44: vele vragens onwaert sere); vgl. ook Wander I, 1094: durch Fragen wird man klug (aber unwerth); kol. 1098: wer vil fragt, der wirdt gelehrt, aber unwerth (oder unangenem); de vêl fragt, wart vêl wîs; mit Fragen kommt man durch die Welt; fr. en demandant ont va à Rome. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 724: met vragen wordt men wijs. (Aanv.) Mlat. si fari scimus, bene Romam pergere quimus.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯(e)id-2 ‘erblicken, sehen’, (ursprüngl. Aorist), Zustandsverbum u̯(e)idē(i)-, nasaliert u̯i-n-d-, Perf. u̯oid-а- ‘habe gesehen, weiß’, woher die Bedeutung ‘wissen’ auch auf andere Formen übertragen wurde; aus der Bedeutung ‘erblicken’ stammt ‘finden’, u̯id-to-s ‘gesehen’, u̯id-ti-, u̯id-tu- ‘das Wissen’, u̯idā, u̯idi̯om, u̯id- ‘Wissen’, u̯eidos- n. ‘das Sehen’; Partiz. Perf. u̯eid-u̯ōt-s, f. u̯idus-ī ‘wissend’.

A. Ai. vetti, vidmási vidánti ‘wissen’ (präsentische Umbildung des Perf. vḗda vidmá), vēdate (ebenso), vidáti (ebenso) ‘wissen’, Perf. véda vidmá, Opt. vidyāt, Partiz. vidvān; av. vaēδa vīdarǝ, Opt. vīdyāt̰, vīdvā̊ ‘wissen’ (die Bedeutung ‘sehen’ in aiwi. vīsǝm ‘habe wahrgenommen’, paiti. vīsǝm ‘wurde gewahr’, fravōizdūm ‘nehmt wahr’); to-Partiz. ai. vitta- ‘erkannt, bekannt’, av. vista- ‘bekannt als’ und ai. viditá- (wohl zur Basis *u̯idēi-); Inf. ai. vidmáne (= gr. ἴδμεναι) ‘wissen’, gthav. vīdvanōi; Kaus. ai. vedayati ‘läßt wissen, kündigt an, bietet an’, av. uzvaēδayeiti ‘läßt wissen’;
In der Bed. ‘finden’: ai. vindáti (vétti, vitté), ávidat, vivéda, vévidat, vittá-, Kaus. vēdayati, av. vī̆δaiti, vī̆nasti, vīvaēδa, vōivīdaiti (Konj.), Kaus. vaēδayeiti ‘läßt erlangen, macht teilhaftig’, Partiz. vista- ‘(vor)gefunden, vorhanden’; die Scheidung von den Formen der Bed. ‘sehen, wissen’ ist nicht ganz scharf durchzuführen, vgl. ai. vindáti ‘weiß’, sbal. gindag ‘sehen’;
arm. egit ‘er fand’ (= ai. ávidat, gr. ἔϝιδε), gtanem ‘finde’; aus dem Perf. *u̯oida umgebildet gitem ‘ich weiß’ (i aus oi; dazu gēt, gitak, gitun ‘wissend, weise’); Nachwirkung des Nasalpräsens(= ai. vindati, ir. finn-, s. u.) vielleicht in arm. gint ‘Gewinn’, wenn aus *u̯ind-;
Gr. εἴδομαι ‘erscheine, scheine, gebe mir den Anschein’; οἶδα ‘weiß’, ἴδμεν, Konj. εἴδω, Partiz. εἰδώς (*ϝειδ-), ἰδυῖα; Aor. εἶδον (ἔϝιδον) ‘sah’, ἰδεῖν (: ai. ávidat, arm. egit), Partiz. ἄ-ιστος, ἰστέον; gr. Ἁΐδης, att. ῞Ᾱιδης wohl ἀ-ϝιδ- ‘unsichtbar, nicht anzusehen’ s. zuletzt Frisk 33 f.; nasaliert ἰνδάλλομαι ‘erscheine, zeige mich; gleiche’;
ebenso kelt. vindo- ‘weiß’ (air. find, cymr. gwynn, gall. ON Vindomagus, -bona);
lat. videō, -ēre ‘sehen’ (von der Basis *(e)idē-, vgl. aksl. viděti, lit. pavydė́ti, got.witan, -aida ‘beobachten’ usw., und mit Tiefstufe *u̯(e)idī̆- der 2. Silbe aksl. Präs. viditъ, lit. pavýdime, lat. vīdi-s-tī, ai. Aor. avēdīt, vēdi-tár-, vḗdi-tum, vidi-tá-; umbr. uirseto ‘visa’ oder ‘visum’, auirseto ‘unsichtbar’: lat. vidēre = tacitus : tacēre), Perf. vīdī (= aksl. vědě), Partiz. vīsus (wie vīsus, -us ‘das Sehen, Anblick’ mit ī für nach vīdī und vīso);
lat. vīsō, -ere ‘besuchen’ (d. i. ‘zu sehen wünschen’), umbr. revestu ‘revisito’ (*u̯eid-s-ō); ähnlich got. gaweisōn, as. ahd. wīsōn ‘besuchen’;
air. ad-fīadat ‘sie erzählen’ (usw.); Komposita unseres Verbs sind do-adbat ‘er zeigt’, do-adbadar ‘wird gezeigt’, as-ind-et ‘erklärt’; Nasalpräsens (s. o. ai. vindáti) nad-finnatar ‘sie wissen nicht’, rofinnadar ‘pflegt zu wissen’ (*u̯i-n-d-nǝ-), as-fēnimm, doaisbēna ‘zeige, zeigt’ (aus *u̯id-nǝ-) mcymr. 1. Sg. gwnn, corn. gon, mbret. goun ‘ich weiß’ (die weiteren brit. Präsensformen, z. B. 2. Sg. mcymr. gwydost, gwdost, 1. Pl. ncymr. gwyddom, sind dagegen vom Perf. ausgegangen); Perf. air. rofetar ‘ich weiß’, rofitir ‘er weiß’ = cymr. gwyr (*u̯id-rai); air. rofess ‘scitum est’ (*u̯id-to-m, vgl. auch fiss, ncymr. gwys ‘das Wissen’ aus *u̯id-tu-s), fess ‘scita’ (Pl. neutr.), mcymr. gwyss, mbret. gous ‘wurde gewußt’; air. toīsech, cymr. tywysog ‘Führer’ (*to-u̯issākos, Ogam Gen. TOVISACI), air. tūus ‘Anfang’, cymr. tywys ‘führen’ (*to-u̯issus, idg. *-u̯id-tus); hierher wohl auch air. fōid- ‘schicken’, z. B. 3. Pl. fōidit (= ai. vēdayati, aisl. veita ds); air. fīado ‘Herr’ (*u̯eidont-s);
got. fraweitan ‘rächen’ (‘animadvertere’), ahd. firwīzzan ‘tadelnd vorwerfen, verweisen’, wīzzan ‘bemerken, achtgeben auf’, as. ags. wītan ‘vorwerfen, tadeln’ (davon aisl. vīti n. ags. wīte, as. wīti, ahd. wīzzi n. ‘Strafe’), got. in-weitan ‘die Verehrung erweisen’; mit auffälliger Bed.-Entw. ags. gewītan ‘fortgehen, sterben’, as. giwītan ‘gehen’, ahd. (Hildebrandlied) giweit ‘er ging’, (Tatian) arawīzan ‘discedere’; got. fairweitjan ‘gespannt hinblicken auf, vielleicht zur Basis auf : -ī̆-, wie sicher die ē-Verben got. witan, -aida ‘auf etwas sehen, beobachten’, aisl. nur Partiz. vitaðr ‘beobachtet, bestimmt’, ags. (be)witian ‘betrachten, bestimmen’; Präteritopräsens got. wait, witum ‘weiß, wir wissen’ (Inf. witan, Partiz. witands Neubildung), aisl. veit vitum (vita, vissa) ‘wissen’, auch ‘bemerken, erforschen, anzeigen, gerichtet sein nach, schauen nach, gehen nach’, ags. wāt, witon (witan, wisse wiste), ahd. weiz, wizzumēs (wizzan, wissa, wessa) ‘wissen’ substantiviertes Partiz. got. weitwōþs ‘Zeuge’ (: εἰδώς, ἰδυῖα ‘Zeuge’); to-Partiz. got. unwiss ‘ungewiß’, ahd. giwis(s), as. ags. wiss ‘gewiß’ (aisl. vissa ‘Gewißheit’); Kaus. aisl. veita ‘gewähren, leisten, helfen; auch Wasser in eine Richtung leiten’, ahd. weizen ‘zeigen, beweisen’; zu ϝιδεῖν scheint als Injunktiv ags. wuton (mit folgendem Inf.) aus *witon ‘laßt uns’ (älter ‘laßt uns zusehen, tendamus’) zu gehören;
lit. véizdmi (für *veidmi nach dem Imper. alit. veizdi = *u̯eid-dhi, vgl. ai. viddhí), veizdė́ti ‘sehen, hinblicken’, pavýdžiu, -výdime -vydė́ti ‘invidere’ (s. o); vom alten Perf.aus apr. waisei, waisse ‘du weißt’ (= aksl. věsi) waidimai ‘wir wissen’, Inf. waist; aksl. viždǫ, vidiši, viděti ‘sehen’, altes Perf. Med. vědě (= lat. vīdī ‘weiß’), präsentisch umgebildet věmь, věděti ‘wissen’; pověděti ‘wissen lassen’ (wohl Umbildung eines Kaus. *u̯oidéi̯ō, sl. *věditi, nach věděti ‘wissen’); izvěstъ ‘bekannt, gewiß’.
B. Nominalbildungen:
Wurzelnomen ai. -vid- ‘kennend, kundig’ (z. B. aśvavid-), av. vīd- ‘teilhaftig’; gr. νῆ-ις, -ιδος ‘unwissend’;
got. unwita, ahd. unwizzo ‘Unwissender’, ahd. forawizzo ‘praescius’, ags. wita ‘weiser Mann, Ratgeber’, gewita ‘Zeuge’, ahd. wizzo ‘weiser Mann’, giwizzo ‘Zeuge’ postverbale en-St.; aberair. fīadu ‘Zeuge’ (*u̯eid-u̯ōt-s) sekundärer n-St.;
ai. vidā́ ‘Kenntnis’, cymr. usw. gwedd f. ‘Anblick, Erscheinung’; ai. vidyā́ ‘Wissen, Lehre’, av. viδya ds.; air. airde n. ‘Zeichen’ (*[p]ari-vidi̯om) = cymr. arwydd m. ds., as. giwitt, ahd. (gi)wizzi n. ‘Wissen, Verstand’, ags. witt ‘Verstand, Besinnung’, got. unwiti n. ‘Unwissenheit, Unverstand’, vgl. auch ahd. wizzī f. ‘Wissen, Verstand, Besinnung’ dazu ahd.gi-, ir-wizzēn ‘achtgeben’ (nhd. Witz m.), mnd. witte f. ds.;
es-St.: ai. vḗdas n. ‘Kenntnis, Umsicht, heilige Schrift’, gr. εἶδος n. ‘Aussehen, Gestalt’, lit. véidas ‘Angesicht’ (zum Stoßton s. u.), aksl. vidъ (serb. vȋd) ‘Anblick, Aussehen’ (aus ehemaligen Neutra), so wohl auch: mir. fīad m. ‘Ehrenbezeigung’, air. fīad (*u̯eidos) mit Dat. ‘coram’, cymr. yngwydd ds., gwydd ‘Anwesenheit’, mbret. a goez, nbret. ac’houez ‘öffenlich’ (‘angesichts’); cymr. ad-wydd ‘grausam’, gwar-adwydd ‘Beleidigung’; weitergebildet in got. unweis ‘unwissend, ungebildet’, fullaweis ‘vollkommen weise’, aisl. vīss, ahd. as. ags. wīs ‘weise’ (*u̯eid-s-o-), ahd. wīs(a) ‘(*Aussehen =) Art, Weise’, ags. wīs(e) ‘Weise, Zustand, Richtung’, aisl. ǫðruvīs ‘anders’, vielleicht auch ἰδέα ‘äußere Erscheinung, Gestalt, Anblick’ (wenn *ϝιδέσᾱ);
gr. ἴδρις, -ιος ‘wissend, kundig, erfahren’, aisl. vitr ‘verständig’;
gr. (hom.) εἰδάλιμος ‘schön von Gestalt’, εἰδάλλεται· φαίνεται Hes., auf Grund eines *εἴδαλο- wozu mit Suffixablaut εἰδωλον ‘Gestalt’, ἀείδελος ‘unsichtbar’; lit. vaidalas ‘Erscheinung’, pavìdalas ‘Gestalt’ (*-elo-); gr. εἰδυλίς, -ίδος “εἰδυῖα, ἐπιστήμων”, ai. vidura- ‘klug, verständig’, lit. pavìdulis ‘Ebenbild’, akiẽs pavydulis, apr. weydulis ‘Augapfel’, got. faírweitl ‘Schauspiel’;
ai. vidmán- m. ‘Weisheit’ (vgl. auch Inf. vidmanē, ἴδμεναι), gr. ἴδμων, -ονος ‘kundig’; ἰδμήν· φρόνησιν Hes.;
gr. ἴστωρ, att. ἵστωρ, böot. ϝίστωρ ‘wissend, kundig; Schiedsrichter’, ἱστορεῖν ‘erkunden’, ἱστορία ‘Geschichte’;
im Balt. gibt es eine Reihe von Worten mit dem Ablaut ēi : ī: lit. véidas (gegenüber serb. vȋd aus *u̯ĕidos), véizdmi, vyzdỹs ‘Augapfel’, išvýsti ‘gewahr werden’, pavydė́ti ‘beneiden’, pavỹdas ‘Neid’, apr. aina-wīdai Adv. ‘gleich’; der Ausgangspunkt scheint das dehnstufige Präsens *u̯ēid-mi.
vielleicht hierher aksl. věžda, aruss. věža ‘Augenlid’ (urslav. vědi̯a, Vasmer 1, 178) und ksl. nevežda ‘Ungebildeter’, aruss. věža ‘Wissender’.

WP. I 236 ff., WH. II 784 f., Trautmann 338, 357 f., Vasmer 1, 176 ff., 192, Frisk 33 f., 451 f., M. Leumann Celtica 3, 241 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal