Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

winterkoning - (vogelsoort)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

winterkoninkje* [een de winter overblijvende zangvogel] {1552} oudhoogduits wrendo, wrendilo, oudengels wraenne, wrenne (engels wren winterwren), waarvan de etymologie onbekend is. Het tweede lid koning stamt van de sage van de koningskeuze van de vogels, die uit de Oudheid dateert.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

winterkoning znw. m. is de naam die, in ons land en aan de Duitse kust gebruikt wordt voor de vogel, die ohd. wrend(il)o, oe. wrænne (ne. wren) en on. rindill heet, waarvan de herkomst onzeker is. Reeds ohd. treedt de naam kuningilīn op, stellig te verbinden met de sage van de koningskeuze der vogels, die reeds in de klassieke oudheid bekend was. Vandaar in nl. en hd. dialecten allerlei namen met het element koning zoals behalve winterkoninkje ook nnl. dial. tuunkönig, nhd. zaunkönig, in Midden-Duitsland schneekönig, dan nl. nettelkönnik en nhd. nesselkönig (van Rostock tot Westfalen).

In Oostelijk Nederland vinden wij de vormen tůůnkönig, tůůnkrüper, tůůhslüper in Noord-Veluwe, de kop van Overijsel en NDrente, dan nettelkönnik langs de oostgrens en důůmke in Friesland en Groningen; zie K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl. Nr. 9.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

WINTERKONINGTroglodytes troglodytes
Duits Zaunkönig
Engels Wren
Frans Troglodyte
Fries Tomke
Betekenis wetenschappelijke naam: holbewoner. Een heel klein vogeltje dat niettemin in de winter met krachtig stemgeluid z’n liedje zingt. Zijn naam is tevens verweven met een Griekse sage over de koningskeuze: De vogels zouden diegene tot koning kiezen die het hoogste kon vliegen. Hoewel het er naar uitzag dat de arend dit zou winnen, had het Winterkoninkje – zoals we hem graag noemen – zich ongemerkt op de rug van de grote vogel genesteld en was hij, toen de arend hoog genoeg dacht te zijn, daar bovenuit gevlogen, zodat het kleinste vogeltje koning moest worden. Vele vogels namen daar geen genoegen mee en ze vonden nu dat een koning ook het diepst in de aarde moest kunnen komen. Het Winterkoninkje dook in een muizenhol en bleek hiermee opnieuw te hebben gewonnen. Nu werd een uil bij het muizengat geposteerd om het Winterkoninkje te beletten er eventueel ‘s nachts uit te komen. De uil viel echter in slaap, het Winterkoninkje vloog weg en werd vervolgens tot koning uitgeroepen. ‘Dit muisje had nog wel een staartje’ voor de uil. Hij werd door andere zangvogels uitgejouwd, durfde zich overdag niet meer te vertonen en gaat sindsdien alleen ‘s nachts op jacht. Maar ook het Winterkoninkje bleef op zijn hoede en sluipt sindsdien verdekt door dicht kreupelhout. In deze sage is aanvankelijk het Goud haantje de hoofdfiguur geweest vanwege diens goudgele kruin, welke hem van nature staat als een koningskroon. Uit de Vlaamse Kempen komt de naam Paternosterbolletje. De naam Druïdevogel (Lb) betekent zoveel als ‘priestervogel’. De Winterkoning beschikte volgens de Kelten over magische krachten; hij bracht geluk en vrede. Toen de Kelten waren verslagen verbonden de overwinnaars ook slechte menselijke eigenschappen aan het vogeltje, daarom heeft men nog vele jaren op tweede kerstdag in Engeland een gedood Winterkoninkje in processie door het dorp gevoerd en dan begraven. Aldus werden kwade geesten verdreven. Talrijk zijn de varianten rond z’n naam: Winterke(u) ninkje (Fr), Winterkeuninkske (OZV), Weentjerkeuninkske (Wee), Winterkeuninkie(n) (Ste, Tex), Winterkönning (Ov), Winterkloaske (Twe), Wintersjol, Pieperkoning, Pieperkeuning (ZVl), Pieter-Teunis (Rdm), Tuinkoninkje (Ens), Tuunköning, Heggekoning, Keuninkske (Lb, OZV), Keunienkje (ZVl) en in Vlaanderen Keuntje en Keunepietje. Waarschijnlijk is Ossekeuninkien (Ste) een variatie op de Duitse volksnaam Ochseneugle = osseoog, welk oog qua kleur, grootte en bolvorm met het vogeltje is vergeleken. Een soortgelijke gedachtengang ten aanzien van een eikel of een nootje moet hebben geleid tot de namen Ekkelkönneke (Ens), Nutjen (Fr), Njuttenkwennegie (Rij) en Njötnkwannik (Rij). Gaande door de brandnetels is hij een Nettelkeuni(n)k (Twe, Ut), Nettelkönnink (Ov, Twe) of Neddelkeunke (Gr). Bij het geven van de namen Krak(k)enût (Sch), Krakernuut en Krakernaat moet men in het vogelgeluid het kraken van een noot hebben gehoord. Als Knüüt is hij een kneutje, wellicht omdat beide vogels een ‘tikkend’ geluid laten horen. Vlak over de grond vliegend lijkt hij wel een muisje. Zo ontstonden Múske (Fr, Ter), Klein Muuske (SFr) en Muizenbroertje. Z’n geringe formaat, al dan niet in samenhang met het opstaande staartje, komt tot uiting in de Friese naam en in Tommelid (Fr), hetgeen hetzelfde is als duimelot en Klein Duimpje (zie ook bij Goudhaantje), voorts Tumke (Fr), Dumke (Fr, Ter), Duimpje (Tex), Duumpje (ZVl), Doempien (Ste), Duimeling, Duumsluupertje (Goe), Keudeldoemke (Gr), Lyts-Tomke (Fr), Klein Duumke (Ach), Klein Jantje (Ach, NH, ZH), Kleine Jan (ZH), in Vlaanderen Klein Janeke, Tietertje (Twe) = ‘klein mannetje’ en Tideke (Ens). Een Engelse volksnaam is Jenny Wren, dat vrij vertaald ‘Jansje-kortstaartje’ betekent. Steilstetjen (Twe) en Wipstattje (Gr) doelen duidelijk op het staartje. Met Kadolstermenneke (Ens) wordt hij, bij vergelijking met de Zuidnederlandse woorden kadolleken, kadodder en kadul, als ‘klein gedrongen mannetje’ getypeerd, hetgeen als troetelnaampje is bedoeld. Kroetjen (Twe) zou kunnen worden omschreven als ‘klein vinnig ding’. Povertietsjen (OZV) en Poverke (Vla) betekenen ‘armzalig kleintje’, waarvan ‘tietsjen’ vermoedelijk het Franse petit is. Urretje of ‘tobbertje’ getuigt zelfs van zorgelijkheid, althans bij de naamgever. Vlak bij huis zien we het Winterkoninkje escapades in de heg uitvoeren als Heggekruipertje (Gr, Ut), Heegkroeperke (Gr), Hegnklerken (Rij), Haechsnipke (Fr), Heggetuter (Ach), Heggesluipertje, Sluiper, Tuinkruipertje (Gd, Gr, Ut), Toenkroeperke (Gr),Toenkreppelke (Twe), Tuunkroepertie (Dr), Tuunkruper, Tuunsluper, Tuunhinnerke, Twanhipper (ZwF), Teugnkruperke (Rij), Walkruperken (Rij, Twe) en Wegkroeperke (Gr). ‘Tuun’ heeft eveneens de betekenis van ‘heg’ of ‘haag’. Hij wordt Baköveke (MLb) en Ovenbekkerke (Kem) genoemd naar het koepelvormig nest dat hij maakt en Ziedklömpke(n) (Ach, Twe) omdat de ingang van het nest aan de zijkant zit. De laatste naam zou ook wel gebruikt zijn om aan te geven dat het nest aan de kant van een sloot is gebouwd. Toetimmerke (ONB) lijkt te doelen op het veilige, bijna ‘dicht-getimmerde’ nest. Maar evenals bij Tuutemmerke (NLb) zal het wel gaan om Toet-immerke, wat zoiets als ‘babbelaar-sjirpertje’ betekent. De naam Wientipperken (Ach) heeft betrekking op de knikkende bewegingen die hij maakt, zoals iemand die wijn tapt. Ook bij enkele andere vogelsoorten is die vergelijking gemaakt.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Winterkoning Troglodytes troglodytes (Linnaeus: Motacilla) 1758. Zeer kleine bruine Zangvogel met opgericht staartje, die zich vaak kenbaar maakt door zijn luide zang. Vaak wordt de verkleinvorm Winterkoninkje gehanteerd. De vogel zingt ook wel ’s winters, mogelijk reden voor zijn naam. Het element -koning in de naam houdt verband met de zgn. koningsmythe der vogels, waarvoor zie sub Goudhaantje. De vogel is goed bij de mensen bekend, getuige ook zijn vele andere (volks)namen. Zie bijv. Urretje ↑, Klein Jantje ↑, Duimpje ↑, Tomke ↑, Paternosterbolletje ↑. De zgn. koningsmythe der vogels, al bekend in de klassieke oudheid, heeft geleid tot het element -koning(s), of een equivalent daar- van, in een groot aantal vogelnamen in diverse talen voor steeds zeer kleine maar goed bij de mensen bekende Zangvogelsoorten. Dit zijn de Winterkoning en het Goudhaantje, secundair heeft ook de Bladkoning dit element in zijn naam. Op grond van de inhoud van die koningsmythe zou je, als er een samengestelde naam in het spel is, de ss. ‘vogelkoning’ of iets dergelijks verwachten, maar zo’n naam komt niet eens zo vaak voor (wél bijv. in het fries (zie Fûgelkeninkje) en in het noors/deens Fuglekonge). Vaker nog is de ss. onlogisch geworden, zoals twents Nettelkeunink of Tuunkönig of stellingwerfs (zuidoost-fries) Ossekeuninkien, alsof de vogel de koning der (Brand)netels, tuinen of Ossen zou zijn! Het element winter- in de naam Winterkoning (alleen N, D en fries) is misschien een volksetymologische verbastering, wat niet met zoveel woorden door NEW 1992 en vDE 1993 wordt gezegd, maar wat men hooglijk suggereert door in het artikel winterkoning ohd wrendilo en oudengels wraenne (>E Wren) te noemen, oude germ namen voor de soort, en ook oudnoords rindill ‘Kwikstaart’ (ijsl Músarrindill ‘Winterkoning’, ijsl Rindilþvari ‘Woudaapje’). De etymologie van deze oude germ namen wordt verschillend opgegeven:
1. “herkomst onzeker” [NEW; vDE], 2. “... van Rindr (Vrindr), één der vrouwen van de noordse god Odin” [Weekley 1967], 3. “... de basale betekenis is ‘(kleine) staart’” [Lockwood 1993] en 4. Wilms 000723,4 en mb.00D,40/41.
Am Winter Wren (= de onderhavige soort) kan niet anders dan een zgn. ‘vertalende ontlening’ zijn onder invloed van N Winterkoning, geïntroduceerd door hollandse kolonisten in de V.S. (de Engelsen kennen nl. zo’n naam niet! vgl. Jackson 1968).
Wat de geschiedenis van de N naam betreft, deze wordt genoemd in Houttuyn 1763 (p.586): “Deeze wordt Passer Troglodytes van de Schryvers genoemd, in ’t Fransch Roitelet, dat is Koningje, en wy noemen het, omdat het zig in de Winter zo dikwils vertoont, Winterkoningje, of ook Duimeling, naar ’t Hoogduitsch Dumeling. De gemeenste naam, in Duitschland, is egter Winter-, Schnee-, Noessel-, Nessel- en Zaun-Koenig, of ook Zun-Schlipffle en Thurn-Koenig, in ’t Italiaansch Regillo en Reattino, in ’t Engelsch Wren.” Houttuyn kent de koningsmythe der vogels misschien niet, want hij schrijft op p.587: “In sommige deelen van Vrankryk houdt men ’t voor iets kwaads, het Nest van deeze Vogeltjes te stooren. Het Landvolk maakt elkander wys, dat, op drie Koningen Dag, de Ouden, met de Jongen in ’t ronde om hun heen, gaan zingen; waar van de naam zou afkomstig zyn.”
Houttuyn hanteert de verkleinvorm welke ook nog bij Albarda 1897 als officiële naam voor de soort (Winterkoninkje) voorkomt. B&O 1822 en Schlegel 1852 daarentegen hanteren de naam WINTERKONING (naast het GOUDHAANTJE). D Winterkönig is te vinden in HG 1669, Winterküninck bij Gesner 1555 (de naam zou in Rostock bekend zijn) en winterkoninc in een woordenlijst uit 1420 (Diefenbach 1857 of 1867 [Suolahti 1909 p.83]).
D Zaunkönig (voor de etymologie van D Zaun zie tuin sub Tuinfluiter) gaat (ook) terug op de 15e eeuw, terwijl de basale vormen mhd küniclîn <ohd kuniclîn, kuningilîn vertalende ontleningen zijn van Lat Regulus en/of Gr basileús ‘koning der vogels’ [Mackensen 1985]. Voor de etymologie van koning zie sub Koningsarend en Bladkoning; voor de etymologie van winter zie sub Wintereend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

winterkoninkje ‘zangvogel’ ->? Duits dialect Winterkonink ‘zangvogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

winterkoninkje* zangvogel 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal