Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaal - (groot vertrek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zaal zn. ‘groot vertrek’
Onl. sala ‘hoofdgebouw, centrale woning’, alleen in Latijnse context [8e eeuw; ONW] en in toponiemen, en dan wrsch. al algemener ‘woonplaats’, bijv. in Fliteritsale ‘Vlierzele (Oost-Vlaanderen)’ [639; Gysseling], in villa Salehem ‘Zelhem, Gelderland’ [801; Künzel], veelal verzwakt tot -sele, in Hrindsele [821-23; Gysseling]; mnl. sale ‘woonplaats; groot, sierlijk en statig vertrek in een aanzienlijk gebouw; aanzienlijk gebouw, paleis e.d.’ in alset ware in scrauen sale ‘alsof het in de grafelijke (rechts)zaal zou zijn’ [1237; VMNW], die huvs ende sconinx sale ‘de huizen en het koninklijk paleis’ [1285; VMNW], Hier bi liet abraham die tale. Ende hi kerde te sire sale ‘vervolgens zweeg Abraham en ging hij terug naar zijn woonplaats’ [1285; VMNW]; vnnl. sale, zale, zael, meestal alleen ‘groot, sierlijk en statig vertrek’; nnl. zaal, ook ‘groot vertrek in een publiek gebouw’ in De zaalen (zyn) tot zes in getal gebragt ‘de zalen zijn op een aantal van zes gebracht’ [1762; iWNT], Ik sprak voor een leeg zaaltje [1911; iWNT].
Os. seli- (mnd. sāl); ohd. sal (nhd. Saal); nfri. seal, seale; oe. sele, sæl, salor; on. salr (nzw. sal); alle net als in het Middelnederlands ‘groot vertrek, woonplaats e.d.’; < pgm. *sali-. Met collectiefachtervoegsel o.a.: ohd. salida; oe. sælð; got. saliþwos; alle ‘verblijfruimte’. Hierbij ook het werkwoord got. saljan ‘onderdak vinden, verblijven’. Daarnaast in plaatsnamen, bijv. Nederlands Oldenzaal, ouder Aldensele(n).
Uit het Germaans zijn ontleend Frans salle, Italiaans sala, Spaans sala en Portugees sala, alle ‘zaal’, zie ook → salon. Zie ook → gezel.
De wortel pgm. *sal- is mogelijk verwant met Latijn solum ‘bodem, land’ (zie ook → zool) ; Litouws salà ‘dorp’; Oudkerkslavisch selo ‘akker, dorp’, selitva ‘woning’; < pie. *sel-, *sol- ‘woonruimte’ (IEW 898).
Het woord betekende oorspr. wrsch. in het algemeen ‘grote ruimte’. Vervolgens betekende het in abstracte zin ‘woonplaats’ (MNW), en in concrete zin ‘ruimte in een woning’, in de tijd dat woningen nog maar uit één ruimte bestonden (Kluge): het zogenaamde zaalhuis, waarbij de constructie samenvalt met de buitenwanden (in tegenstelling tot het hallenhuis, dat door een vrijstaande gebintenconstructie in verschillende delen is verdeeld). Daarmee betekende het woord ook ‘uit één ruimte bestaande woning’ (Hoekstra 2009). Daarnaast betekende het woord zowel ‘grote ruimte in een kasteel of een paleis’ als ‘kasteel, paleis, woning van een aanzienlijk persoon’. Na de 16e eeuw komt alleen nog de betekenis ‘grote ruimte’ voor: de betekenissen ‘woonplaats’ en ‘gebouw’ bestaan dan niet meer.
Zie voor een vergelijkbare ontwikkeling → hal (WNT). Of het woord eerder van toepassing was op paleizen en kastelen (of de ruimten daarin) (Rey) of juist op gewone huizen (MNW), is onzeker.
Lit.: Hoekstra 2009, 25

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zaal* [groot vertrek] {in de plaatsnaam Salehem, nu Zelhem (Gld.) <801>, sale, sael, sele [woonplaats, woning, land, paleis, kasteel, de grote zaal in burcht of klooster] 1237} oudsaksisch sĕli, oudhoogduits sal, oudengels sĕle, sæl, oudnoors salr, gotisch saljan [onderkomen vinden]; buiten het germ. oudkerkslavisch selo [akker].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zaal znw. v., mnl. sāle, sael, sēle v. m. ‘woning, groot huis, paleis, kasteel, zaal’, os. seli m.; ohd. sal o. (nhd. saal m.; in samenstellingen ohd. ook seli-), oe. sele m., sæl o., salor, on. salr m. ‘huis, woonplaats, kasteel, zaal, gebouw met een groot vertrek’. Men kan uitgaan van een grondvorm *salaz: saliz. Verder horen hier bij got. saljan ‘onderkomen vinden, overnachten, blijven’ en onfrank. selitha, seletha v. ‘tabernaculum’, os. selitha, ohd. selida, oe. sælð ‘woning, verblijfplaats’, got. saliþwōs v. mv. ‘onderkomen, woning, vertrek’. — osl. selitva ‘woning’ bij selo ‘grondstuk, erf, dorp’ (IEW 898).

Het woord zal eigenlijk wel betekenen een ‘omheinde ruimte’, allereerst dus het woonerf, dan ook de woonruimte, die met een vlechtwand omheind is. Voor verdere verbindingen, die hierdoor mogelijk zouden zijn, vgl. J. Trier PBB 69, 1947, 421). — Uit het germ. zijn overgenomen fra. salle en ital. sala.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zaal znw., mnl. sāle (sael), sēle v. (m.) “woning, groot huis, paleis, kasteel, zaal”. = ohd. sal o. “huis, woonplaats, kasteel, zaal, gebouw met één groote ruimte” (nhd. saal m.; samenst.: ohd. seli-hûs o.), os. seli m., ags. sele m., sæl o., salor (o.?), on. salr m. “id.”. Hierbij got. saljan “onderkomen vinden, overnachten, blijven”, saliþwos v. mv. “onderkomen, woning, vertrek”, onfr. selitha, seletha v. “tabernaculum”, ohd. selida, os. selitha, ags. sælð v. “woning, verblijfplaats”. Ohd. sal, ohd. os. seli, mnl. ags. sele, ags. sæl, salor, on. salr kunnen gezamenlijk op germ. *salaz-, *saliz- teruggaan, welke grondvormen men gewoonlijk aanneemt. Wellicht echter heeft van ouds ook *sali- bestaan. Voor mnl. sāle v. is een grondvorm *salô- wsch. Verwant is misschien obg. selo “akker, dorp”, dat echter ook op *sedlo kan teruggaan (mogelijk is de scheiding tusschen selo gr. “agrós” < *selo-m en selo gr.“skēnḗ, skḗnōma” < *sed-lo-m, bij zetel), wsch. niet lat. solum “bodem” (zie zool). Met germ. *sali-þwô- vgl. voor ’t formans ksl. selitva “woning”. Uit ’t Germ. it. sala, fr. salle “zaal”. Zie gezel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zaal v., Mnl. sale + Ohd. sal (Mhd. id., Nhd. saal), daarnevens de -i-stammen Os., Ohd. seli, Ags. sele, On. salr (Zw., De. sal) = woning, Go. werkw. saljan (= verblijven) + Osl. selo = grond, woning, dorp (z. zool en zulle). De Germ. bet. was huis met een groote zaal of halle; het was de technische naam van de woning der Franken; daarom heetten zij Salische Franken, en de plaatsen waar zij zich vestigden zele (seli). Uit het Germ. komt Fr. salle, It. sala.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

zaal (De Valk 2016) (kleine) woonkamer; de betekenis wijkt af van die van Europees-Nederlands zaal ‘grote ruimte in een gebouw’; de betekenis is waarschijnlijk beïnvloed door Papiaments sala ‘woonkamer’, dat is ontleend aan Nederlands zaal (Van der Sijs 2010). In het Antilliaans-Nederlands wordt ook woonzaal gebruikt voor ‘woonkamer’: aan de uiteinden van woonzaal en galerijen bevonden zich de kamers.

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zaol (zn.) zaal; Aajdnederlands sala <701-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1saal s.nw.
1. Groot lokaal waar mense bymekaarkom om te dans, te vergader of sport te beoefen. 2. Groot hospitaalvertrek vir verskeie mense.
Uit Ndl. zaal (1539 in bet. 1, 1762 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Saal (11de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zaal (de, -zalen), (ook:) 1. voornaamste woonvertrek in een herenhuis. Toen hij zijne ontroering meester was, keerde hij huiswaarts, ging naar de zaal en nam ’t gewone ontbijt (van Schaick 1866: 69; oudste vindpl.). - 2. woonkamer, zitkamer (in een gewoon huis). - Etym.: AN z. = o.m. groot prachtvertrek in een aanzienljk huis. Zie het syn. (van 2) voorzaal*. - Syn. van 2 ook voorhuis*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

saal I: mv. sale, groot vertrek, hal; Ndl. zaal (Mnl. sael/sale/sele), Hd. saal, Oeng. sael/salor/sele (uit Germ. vorme It. sala en Fr. salle, wu. weer Ndl./Afr. salon, Eng. saloon), hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

zaal 'uit één ruimte bestaande woning'
Onl. sale, sele 'uit één ruimte bestaande woning, zaal', mnl. sale 'woonplaats, woning, zaal', nfri. seal, seale, os. seli, ohd. sal , oe. sele, sæl, ono. salr, alle 'groot vertrek, woonplaats e.d.', mogelijk verwant met lat. solum 'bodem, grond' en Oudkerkslavisch selo 'akker, dorp'. In IJsland had salr, evenals oe. (ge)sell, ook de betekenis 'schuilplaats voor dieren, hut' en enkele Nederlandse sele-namen ontlenen hun bepalend bestanddeel aan de veehouderij, vergelijk → Sterksel en → Ten_Vorsel, aanwijzingen dat het onderkomen van mensen en vee in één ruimte werd gecombineerd. De sele-namen zijn wel opgevat als een gidsfossiel van de Frankische kolonisatie, maar deze hypothese bleek onhoudbaar. Wel behoren de sele-namen tot de kolonisatieperiode van de vroege middeleeuwen (ca. 500 tot 1000). Later werd Frankisch bûr (zie buur) de gebruikelijke aanduiding voor nieuw gestichte nederzettingen. Oudste attestaties in plaatsnamen: 801 kopie 10e eeuw in uilla Salehem (→ Zelhem)1, 805 kopie 10e eeuw in Quarsingseli (ligging onbekend, bij Doornspijk)2, 855 kopie 9e begin 10e eeuw in Andassale (→ Andelst)3, 893 kopie 1222 in Aldenselen (→ Oldenzaal)4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 416, 2Idem 294, 3Idem 67, 4Idem 269.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zaal, oorspr. woning van een voornaam persoon of edele, vgl. zaalhof; zaalland (het land van den heer); Oldenzaal; Oldenzeel. Later: de ridderhal, en nog later: een ruim vertrek. De etym. oorspr. is niet duidelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaal ‘groot vertrek’ -> Frans salle ‘(groot) vertrek’ Frankisch; Baskisch sala ‘groot vertrek’ ; Indonesisch sal, zal ‘ziekenzaal, groot vertrek, hal, auditorium’; Jakartaans-Maleis sal ‘groot vertrek, voorste klasse in het bioscoopgebouw’; Menadonees sal ‘groot vertrek’; Negerhollands saal, sael ‘groot vertrek’; Papiaments † zaal ‘groot vertrek’; Sranantongo sâl ‘groot vertrek’; Surinaams-Javaans sal ‘groot vertrek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zaal* groot vertrek 0639 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sel-1 ‘Wohnraum’

Ahd. sal m. ‘Wohnung, Saal, Halle’, langob. sala ‘Hof, Haus, Gebäude’, as. seli m. ‘Wohnung, Saal, Tempel’, ags. sæl n., salor n., ‘Halle, Palast’, sele m. ‘Haus, Wohnung, Saal’, aisl. salr m. ‘Saal, Zimmer, Haus’, Pl. ‘Wohnung, Hof’, sel (*salja-) ‘Sennhütte’; got. saljan ‘einkehren, bleiben’, saliþwōs Pl. ‘Einkehr, Herberge’, ahd. salida, as. selitha, ags. seld ‘Wohnung’; abg. selo ‘fundus, Dorf’, selitva ‘Wohnung’ (bildungsähnlich dem got. saliþwōs); lit. salà f. ‘Dorf’.

WP. II 502 f., Trautmann 248.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal