Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwoel - (benauwd)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zwoel bn. ‘benauwd’ en zoel bn. ‘aangenaam warm’
Mnl. verzwoelen ‘verzengen’ (1440–1460; Jan Praet, Speghel der wijsheit; verzwoelen staat zo in de uitgave van Bormans uit 1872, het hs. zal wel een andere spelling hebben). Vnnl. swoel, zwoel ‘aangenaam warm; onaangenaam warm, broeierig’ (ca. 1615), swoelen ‘gloeien, drogen’ (1608). Zonder w: Vnnl. soel, zoel ‘aangenaam warm’ (1576).
Kiliaan (1599) kent alleen soel maar verwijst daar naar smoel, een afleiding bij smeulen, dat blijkbaar voor hem het meest gangbare woord was. Meerdere moderne dialecten hebben smoel, terwijl z(w)oel zeldzaam is.
Verwanten: Mnd. swōle ‘zomers warm’, Mohd. schwul ‘onaangenaam warm’ (uit het Nederduits ontleend), sinds de 18e eeuw schwül (met ü naar voorbeeld van kühl), Noordfries swol, swaul naast sweel, Oostfries swoul ‘zwoel’, Oudengels swól (m./n.) ‘hitte, gloed’ (van vuur, zon, koorts). Uit Westgermaans *swōla-, een afleiding van het ww. *swelan ‘branden, verzengen’, waarop Vroegnnl. zwelen ‘verbranden, schroeien’ teruggaat. Daarnaast bestond ook een Germaans bn. *swala-, dat in de betekenis ‘koel’ (‘brandend koud’) in het Noordgermaans voortleeft (Ouddeens swal ‘koel’).
Tussen een medeklinker en een verdween *w in het Oudnederlands (of misschien zelfs eerder) door assimilatie aan de klinker, zoals in hoe uit *hwō en zoen uit *swōnō. Er bestaat soms variatie binnen hetzelfde woord (Mnl. swoen / soen, swoegen / soegen, Nnl. swoel / soel), reden waarom de handboeken aannemen dat de wegval van w “dialectisch” was. Maar hij valt ook in het oudste Fries en Duits soms al weg, dus het is waarschijnlijker dat de gevallen met -woe- op analogisch herstel van w berusten. Zo kon in zwoel de w makkelijk hersteld worden op basis van zwelen.
[Gepubliceerd op 05-02-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoel1* [lauw] {soel 1588} nevenvorm van zwoel.

zwoel* [benauwd] {swoel 1611-1620} nederduits swol, swul, hoogduits schwühl; ablautend bij zwelenzoel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoel bnw. is met de gewone overgang van zw > z voor oe ontstaan uit zwoel.

zwoel bnw., eerst na Kiliaen bekend en hetzelfde als zoel, vgl. nnd. swōl, swṻl, ouder-nhd. schwul (nhd. schwül heeft umlaut naar kühl). — Zie verder : zwelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoel bnw., sedert Kil. = zwoel. Voor z < zw vgl. zoen, zoet, ook doek met d < ðw. De Teuth. vermeldt versoelen “zengen”.

zwoel bnw., nog niet bij Kil. ’t Zelfde woord is zoel: voor zoe- < zwoe- vgl. zoen, zwoegen. = ndd. swôl, swűl, ouder-nhd. schwul (nhd. schwül met ü naar kühl). Denzelfden stam heeft ’t ags. znw. swôl (m. o.?) “hitte”. Ablautend met mnd. swēlen (nhd. schwelen) “smeulen”, ags. swëlan (sterk) “langzaam verbranden”, waarbij ohd. swilizôn “id., roosteren”, swëlzan “verbranden” en zwelen hooren, en met ags. for-swæ̂lan “verbranden” (trans.; eng. to sweal), on. svæ̂la “verstikken, rooken (trans.)”, svǽla v, “dikke rook”, mnd. swalm (m.?) “damp, rook”; met e wellicht hierbij nog ohd. arsuëlchatiu “marcida”, mhd. swële “verlept, dor”. Buiten ’t Germ. vgl. ier. solus,. follus “schitterend, helder”, gr. sélas “glans”, lit. svylù, svílti “smeulen”, (oi. svárati “hij schittert”? Of = svárati “hij klinkt”? Zie zwerm). De basis swel-, swelâx- “schitteren, branden” is een verlenging van de bij zon besproken basis sū̆-, sewā̆x-. Zie nog zilver.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwoel. Het ags. znw. is swol (o.?), niet swôl, behoort dus onder de met zwoel ablautende woorden.
Ier. solus, follus ‘schitterend, helder’ niet in dit verband: Pedersen KGr. I. 351.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoel bijv., Kil. id., met z = zw vóór oe, = zwoel + Ndd. swôl, Hgd. schwül, Ags. subst. swôl, met abl. bij Ohd. swilizôn = traag verbranden, swelzan, Ags. swelan = gloeien, swǽlan = verbranden (Eng. to sweal), On. svǽla = rook + Gr. sélas = glans, Oier. solus = schitterend, Lit. sviltì, Lett. swelte = smeulen: uitbreiding van den wortel van zon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zoele zn. v.: weerlicht, bliksem; drukkend, zwoel weer. Zoals Ndl. zoelte afgeleid van zoel < zwoel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

soel b.nw.
1. Aangenaam, vogtig warm. 2. Blas.
Uit Ndl. zoel (1588 in bet. 1, 1895 in bet. 2) of in bet. 2 mntl. uit Ndl. saluw (1599 in die vorm saluwe) 'donkerkleurig'. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
D. schwül (17de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

soel: warm; donkerkleurig, blas; Ndl. zoel (by Kil soel, sedertdien ook zwoel), oor ontw. zw tot z vgl. zoet, zulk, zuster, ens., kan verb. hou m. Hd. schwül, “benoud, warm; soel”, en schwelen, “brand,” m. Eng. sweal/swale, eint. “warm (brand)”, dan “donker gebrand”, swelter, “laat sweet”, en sultry, “drukkend warm”, maar verb. is ook mntl. m. Ndl. saluw (by Kil saluwe), Eng. sallow, o.a. “donkerkleurig” – blb. verw. wat deureengeloop het; by vRieb soel weer, “warm weer”, v. swoel.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Soel bnw., blas, donker (van gelaatskleur). – Soel word nog deur Hesseling 76 gerangskik onder die Afrikaanse woorde van onsekere herkoms. Ongetwyfeld is soel egter dieselfde woord wat ek aantref by Gallée 63: “Zûl, bvnw. ongezond, tanig, en zûle klör, een tanige kleur.” De Jager, Freq. I. 949: “zoel, in het Overijselsch vuil en ziekelijk van kleur.” Mansvelt 18 het reeds daarop gewys dat die woord blas met die betekenis “bleek” ook in Overyssel bekend is (ek vind dit ook by Dorren 141: blas, bleek van gelaatskleur), sodat blas en soel seker uit dieselfde dialekstreek stam.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zoel, vermoedelijk bijvorm van zwoel, z. d. w. Vele woorden met zw komen in verwante talen alleen met z voor of omgekeerd, zie Zoet

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoel* lauw 1576 [Toll.]

zwoel* benauwd 1611-1620 [WNT tocht]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal